Terug naar bibliotheek
Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:1383 - Rechtbank Gelderland - 19 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:138319 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/113013-25
Datum uitspraak : 19 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. S.J. Nijhof, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op achter gesloten deuren gehouden terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 mei 2024 tot en met 5 mei 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de anus van die [slachtoffer] te brengen en/of bewegen waarbij dat geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden er in hebben bestaan dat verdachte meermalen, althans eenmaal - achter die [slachtoffer] is gaan liggen en/of - tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij zijn broek en/of onderbroek moest uittrekken en/of naar beneden moest doen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of - de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of naar beneden heeft gedaan en/of - tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij zijn bek moest houden en/of dat als hij het tegen iemand zou vertellen, verdachte hem in elkaar zou slaan, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - die [slachtoffer] (nabij zijn borst) heeft vastgehouden en/of in de richting van de muur heeft gedrukt/geduwd en/of - aan die [slachtoffer] heeft gevraagd om boven op hem, verdachte, te gaan zitten/liggen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of - misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht t.o.v. die [slachtoffer] en/of - voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of de broer van die [slachtoffer] en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
subsidiair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 mei 2024 tot en met 5 mei 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2015, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de anus van die [slachtoffer] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
  <footnoteReference id="_67e40263-2761-443b-ad2a-bc6733aa8b89">[1]</footnoteReference>
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. [verdachte] heeft het tenlastegelegde ontkend en het dossier biedt onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen. De pleegperiode kan niet voldoende verifieerbaar worden vastgesteld. Er hebben meerdere logeerpartijtjes plaatsgevonden en uit het dossier volgt niet tijdens welk logeerpartijtje het tenlastegelegde zou moeten hebben plaatsgevonden. Het bericht waar vader op pagina 12 aan refereert ontbreekt in het dossier. Er is daarnaast onvoldoende steunbewijs voor het dragende bestanddeel 'seksueel binnendringen'. Verder heeft de raadsman de vraag opgeworpen in hoeverre de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] , die enige tijd na het incident zijn afgelegd, betrouwbaar kunnen worden geacht.
Beoordeling door de rechtbank
[getuige] (de partner van de vader van [slachtoffer] ) heeft verklaard dat [slachtoffer] (na een boottocht op 10 augustus 2024, tijdens een etentje in een restaurant) uit het niets heeft gezegd: " [verdachte] is homo.". [slachtoffer] (destijds net 9 jaar oud) heeft toen ook gezegd dat [verdachte] 'erg raar was' en dat [verdachte] hem 'in de kont had geneukt'. Toen ze terug waren bij de boot heeft [getuige] [slachtoffer] apart genomen en in de kajuit met hem gepraat. Tijdens dat gesprek heeft [slachtoffer] (opnieuw) gezegd dat [verdachte] hem 'in de kont heeft geneukt'. [slachtoffer] vertelde aan [getuige] verder het volgende. Het is gebeurd toen [slachtoffer] en zijn broer [getuige] bij tante [naam] (de moeder van [verdachte] ) gingen logeren. Toen [slachtoffer] , [getuige] en [verdachte] met z'n drieën in bed lagen, heeft [verdachte] de onderbroek van [slachtoffer] naar beneden getrokken en heeft hij zijn piemel in de anus van [slachtoffer] gestopt. Eerst lukte het niet, maar toen het wel lukte, deed het heel veel pijn. [slachtoffer] heeft met bewegingen voorgedaan hoe het gegaan is. Volgens [slachtoffer] heeft [getuige] wel tien keer gezegd dat [verdachte] moest stoppen. [verdachte] heeft toen gezegd dat ze 'hun bek moesten houden'. [slachtoffer] was bang en durfde niets te zeggen omdat [verdachte] had gezegd dat hij [slachtoffer] en [getuige] anders in elkaar zou slaan. [slachtoffer] heeft gezegd dat het twee keer is gebeurd. [slachtoffer] heeft ook aan zijn moeder verteld dat [verdachte] zijn piemel in de anus van [slachtoffer] heeft gestopt. Volgens [slachtoffer] heeft zijn moeder contact gehad met tante [naam] en besloten dat [slachtoffer] en [getuige] niet meer bij tante [naam] zouden logeren.[2]
[aangever] , de vader van het [slachtoffer] , heeft aangifte gedaan. In de kop van die aangifte is als pleegperiode opgenomen 'tussen vrijdag 3 mei 2024 00:00 uur en maandag 6 mei 2024 00:00 uur'. Uit de aangifte volgt (ook) dat [slachtoffer] , tijdens een etentje ineens heeft gezegd: " [verdachte] is homo." en "Hij heeft mij in de kont geneukt.". Toen [getuige] daarop met [slachtoffer] in de kajuit is gaan praten, heeft [aangever] buiten de kajuit met [getuige] gesproken. [getuige] heeft aan zijn vader verteld dat hij, [slachtoffer] en [verdachte] tijdens een logeerpartijtje bij [verdachte] samen in hetzelfde bed hebben gelegen. [slachtoffer] en [getuige] hebben toen een aantal keren gezegd dat [verdachte] moest stoppen met wat hij aan het doen was. [verdachte] deed dat niet en zei dat ze 'hun bek moesten houden'.
De logeerpartij heeft voor 6 mei 2024 bij [verdachte] thuis in Apeldoorn plaatsgevonden. Op 6 mei 2024 hebben de moeder van [slachtoffer] en de moeder van [verdachte] hierover (via berichten) met elkaar gesproken. Van dit gesprek is een print screen gemaakt.[3]
[slachtoffer] heeft in een studioverhoor het volgende verklaard. Toen zijn moeder een weekend weg was, heeft [slachtoffer] twee nachten bij [verdachte] gelogeerd. [verdachte] , [getuige] en [slachtoffer] sliepen in één bed. [slachtoffer] lag met zijn gezicht naar de muur en [verdachte] lag achter hem. [slachtoffer] had zijn onderbroek en hemd aan. [verdachte] heeft de hele tijd gezegd dat [slachtoffer] zijn onderbroek uit moest trekken. [slachtoffer] heeft gezegd: "Nee [verdachte] , dat is raar", maar [verdachte] zei toen "Hou je bek" en heeft de onderbroek van [slachtoffer] (tot op zijn enkels) naar beneden gedaan. [getuige] riep de hele tijd "stop". Als zijn broer ( [getuige] ) "stop" riep, zei [verdachte] dat 'hij zijn bek moest houden'. De onderbroek van [verdachte] was naar beneden, want het 'voelde helemaal bloot'. [verdachte] heeft [slachtoffer] gezegd dat [slachtoffer] op hem moest liggen, maar dat heeft [slachtoffer] niet gedaan. De handen van [verdachte] waren op de borst van [slachtoffer] , omdat [verdachte] [slachtoffer] wilde vastpakken. [verdachte] duwde [slachtoffer] naar de muur. [slachtoffer] probeerde [verdachte] te stoppen. De piemel van [verdachte] was 'tussen de billen van [slachtoffer] , in het gat waar je ook uit poept'. [verdachte] maakte de hele tijd rare geluiden, zoals "ohhhh". [slachtoffer] weet zeker dat het de piemel was van [verdachte] omdat die 'helemaal recht en heel dun' voelde en – anders dan een vinger of een teen – 'alle kanten op gaat'. De piemel ging de hele tijd 'eruit, erin, eruit, erin'. Het voelde 'pijnlijk en kriebelig'. [slachtoffer] zelf heeft ook de hele tijd "stop" geroepen. Het is twee keer gebeurd, de eerste nacht en de tweede nacht. [verdachte] heeft [slachtoffer] gezegd dat hij [slachtoffer] in elkaar zou slaan als [slachtoffer] zou zeggen dat hij raar doet in bed. Toen het net een dag gebeurd was, had [slachtoffer] een wond aan zijn poepgat. Dat deed pijn. De volgende dag deed het ook nog pijn en toen hij weer thuis was ook nog. [slachtoffer] heeft een dag na het logeerpartijtje aan zijn moeder verteld wat er gebeurd is. Van zijn moeder mochten [slachtoffer] en [getuige] nooit meer bij [verdachte] logeren. Ze gaan nooit meer logeren daar omdat [verdachte] veel scheldt.[4]
[getuige] heeft in een studioverhoor verklaard dat hij tijdens het logeren bij [verdachte] met [verdachte] en [slachtoffer] in één bed lag. [verdachte] lag in het midden. [verdachte] lag met zijn gezicht naar [slachtoffer] en [slachtoffer] lag op dezelfde manier als [verdachte] . Ze lagen allemaal onder de deken. [getuige] heeft de hele tijd "stop, stop, stop" geroepen. [verdachte] scheldt heel vaak. [getuige] heeft verder verklaard dat hij niet meer bij [verdachte] gaat logeren omdat het van zijn moeder niet meer mag.[5]
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] de volgende ochtend twee keer tegen [verdachte] heeft gezegd dat [verdachte] moest stoppen. De eerste keer zei [slachtoffer] dat [verdachte] moest stoppen met 'in mijn ( [slachtoffer] ) kontje nemen' en de tweede keer heeft hij gezegd dat [verdachte] moest 'stoppen met neuken'. [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat het misschien in zijn slaap is gebeurd, omdat zijn lichaam een eigen willetje heeft. [verdachte] heeft aan zijn moeder verteld dat hij het gedaan had, maar dan in zijn slaap.[6]
In hetzelfde politieverhoor heeft [verdachte] verklaard dat hij last had van zijn knieën en dat hij aan [slachtoffer] gezegd had dat, als hij ( [slachtoffer] ) iets zou voelen, dat kwam omdat hij ( [verdachte] ) last had van zijn knie.
Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat er niets is voorgevallen tijdens het logeerpartijtje. Wat [slachtoffer] de volgende dag tegen [verdachte] heeft gezegd, heeft [verdachte] niet verstaan; hij dacht dat het iets was over gamen. [verdachte] heeft de volgende ochtend met zijn moeder gesproken, maar hij kan zich niet herinneren waarom hij dat gesprek nodig vond. Volgens hem ging het mogelijk over ruzies op school.
Betrouwbaarheid van de verklaringen
De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [verdachte] en [slachtoffer] over wat er tijdens het logeerpartijtje is gebeurd uiteenlopen. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van [slachtoffer] en [verdachte] betrouwbaar zijn en dus voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
De verklaringen van [slachtoffer] vindt de rechtbank betrouwbaar. [slachtoffer] heeft spontaan, uit zichzelf, tijdens een etentje aan zijn vader en diens partner verteld dat [verdachte] hem 'in de kont heeft geneukt'. Zijn verklaringen zijn consistent. In het gesprek met de partner van vader en in het studioverhoor heeft [slachtoffer] in de kern steeds hetzelfde verteld. De verklaringen bevatten telkens dezelfde specifieke details. Zo heeft [slachtoffer] verklaard dat [verdachte] , [getuige] en hijzelf in één bed lagen, dat [verdachte] zijn onderbroek uittrok, dat [verdachte] zijn piemel in [slachtoffer] anus stopte, dat dat pijn deed, dat [getuige] verschillende keren "stop" heeft gezegd en dat het twee keer gebeurd is. Dat [slachtoffer] op acht - of negenjarige leeftijd deze details zou hebben verzonnen vindt de rechtbank niet aannemelijk. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs.
De rechtbank ziet redenen om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [verdachte] te twijfelen. [verdachte] heeft wisselend en uiteenlopend verklaard. Zo heeft hij verklaard dat het mogelijk in zijn slaap is gebeurd (omdat zijn lichaam een eigen willetje heeft) en dat [slachtoffer] mogelijk heeft gevoeld dat hij ( [verdachte] ) met zijn pijnlijke knie heeft bewogen. Later heeft [verdachte] verklaard dat er niets gebeurd is.
Dat [slachtoffer] de knie van [verdachte] gevoeld zou hebben vindt de rechtbank niet passen bij de verklaring die [slachtoffer] heeft afgelegd over dat wat hij tússen zijn billen gevoeld heeft 'recht en heel dun' en pijnlijk was.
Ook over de volgende ochtend heeft [verdachte] wisselend verklaard. Aanvankelijk verklaarde [verdachte] dat [slachtoffer] heeft gezegd dat hij moest 'stoppen met in zijn kontje nemen/ neuken', terwijl hij ter terechtzitting heeft gezegd dat hij niet heeft gehoord wat [slachtoffer] zei. Bij de politie heeft [verdachte] verklaard dat de inhoud van het gesprek dat hij met zijn moeder heeft gevoerd ging over iets dat die nacht was gebeurd en dat hij in zijn slaap zou hebben gedaan. Dat [verdachte] zich ter terechtzitting de inhoud van het gesprek met zijn moeder niet meer goed kan herinneren, vindt de rechtbank, mede gelet op zijn eerdere verklaringen, niet zonder meer geloofwaardig. [verdachte] heeft ter terechtzitting ook aangegeven dat hij het schaamtevol vindt om over dit alles te praten. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het noodzakelijk om behoedzaam om te gaan met de verklaringen van [verdachte] .
Steunbewijs
In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit bewijsminimumvoorschrift houdt in dat de verklaring van die getuige steun moet vinden in een ander bewijsmiddel. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel. Niet is vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging afzonderlijk in ander bewijsmateriaal steun moet vinden. Wat betreft het bewijs in zedenzaken is niet vereist dat het seksueel binnendringen zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal, mits de verklaring van de aangever maar op specifieke punten bevestiging vindt in het overige bewijsmateriaal en tussen een en ander niet een te ver verwijderd verband bestaat. Afweging en beoordeling daaromtrent moeten plaats te vinden op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.
Anders dan de verdediging, vindt de rechtbank dat de verklaringen van [slachtoffer] voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.
[slachtoffer] heeft ook - direct na het logeerpartijtje - aan zijn moeder verteld wat er gebeurd is, eerder nog dan aan zijn vader en diens partner. De moeder van [slachtoffer] heeft hierop besloten dat [slachtoffer] en [getuige] niet meer bij [verdachte] mochten logeren. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een voor de hand liggende, passende en begrijpelijke reactie op wat [slachtoffer] verteld heeft.
Verder vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in de verklaring van [getuige] . [getuige] lag bij [verdachte] en [slachtoffer] in bed toen het gebeurde. [getuige] heeft niet waargenomen wat er precies gebeurd is. De rechtbank acht dat voorstelbaar omdat de jongens alle drie onder de deken lagen. Wel komt zijn verklaring op belangrijke punten overeen met die van [slachtoffer] . Zo verklaart [getuige] dat [verdachte] , [slachtoffer] en [getuige] met z'n drieën in bed lagen, dat [verdachte] achter [slachtoffer] lag, dat hij [getuige] , bij herhaling gezegd heeft 'stop stop stop' en dat [verdachte] veel scheldt .
Ook ziet de rechtbank steunbewijs in de verklaring van [verdachte] zelf, namelijk dat het mogelijk in zijn slaap is gebeurd en dat hij aan zijn moeder heeft verteld dat hij het (in zijn slaap) heeft gedaan.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] [slachtoffer] heeft vastgepakt en heeft geduwd, dat hij dreigende taal heeft geuit en voorbij is gegaan aan stopgeroep, dat hij de onderbroek van [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en dat [verdachte] vanwege het leeftijdsverschil fysiek en mentaal overwicht op [slachtoffer] had. [slachtoffer] heeft zich hierdoor niet kunnen onttrekken aan de seksuele handelingen. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] [slachtoffer] heeft gedwongen om te ondergaan dat hij meerdere keren met zijn piemel anaal bij [slachtoffer] is binnengedrongen.
Pleegperiode
[slachtoffer] verklaart duidelijk over dat het gebeurd zou zijn in de twee nachten tijdens een weekend waarin zijn moeder weg was en [getuige] en hij (daarom) bij [verdachte] logeerden. Vader heeft bij zijn aangifte verwezen naar een berichtenwisseling tussen de moeder van [slachtoffer] en de moeder van [verdachte] op maandag 6 mei 2024, waarin zij hebben gesproken over wat er gebeurd is. Op basis van de berichtenwisseling gaat vader ervan uit dat het incident het weekend voor 6 mei 2024 heeft plaatsgevonden en zo is dat ook in de (kop van de) aangifte opgenomen. Van deze berichtenwisseling is een print screen gemaakt, maar deze is niet aan de aangifte toegevoegd en maakt dus geen onderdeel uit van het dossier. Omdat de politie tijdens de aangifte heeft kunnen meekijken in de telefoon van vader, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verklaring van vader over de (in het dossier afwezige) berichtenwisseling. De rechtbank stelt daarom vast dat het meerdaagse logeerpartijtje heeft plaatsgevonden in de periode van vrijdag 3 tot en met zondag 5 mei 2024.
De rechtbank concludeert dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 mei 2024 tot en met 5 mei 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de anus van die [slachtoffer] te brengen en/of bewegen waarbij dat geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden er in hebben bestaan dat verdachte meermalen, althans eenmaal - achter die [slachtoffer] is gaan liggen en/of - tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij zijn broek en/of onderbroek moest uittrekken en/of naar beneden moest doen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of - de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/ofnaar beneden heeft gedaan en/of - tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij zijn bek moest houden en/of dat als hij het tegen iemand zou vertellen, verdachte hem in elkaar zou slaan, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - die [slachtoffer] (nabij zijn borst) heeft vastgehouden en/of in de richting van de muur heeft gedrukt/geduwd en/of - aan die [slachtoffer] heeft gevraagd om boven op hem, verdachte, te gaan zitten/liggen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of - misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht t.o.v. die [slachtoffer] en/of - voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of de broer van die [slachtoffer] en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
verkrachting.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie is van mening dat de bijzondere voorwaarden die door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd moeten worden opgelegd, aangevuld met de bijzondere voorwaarde dat verdachte een training zal volgen gericht op recidivevermindering. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De officier van justitie ziet geen aanleiding voor het namens [slachtoffer] verzochte opleggen van een contactverbod.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij bewezenverklaring een voorwaardelijke werkstraf volstaat. Er is geen kans op onttrekking en geen kans op herhaling. Er is geen noodzaak om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder die is begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.
De ernst van het feit
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van de toen achtjarige [slachtoffer] door met zijn piemel in de anus van [slachtoffer] te gaan. [verdachte] zelf was toen twaalf jaar oud.
De rechtbank vindt dit een zeer ernstig feit. [verdachte] heeft met zijn handelen de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] op ernstige wijze geschonden. Tussen [verdachte] en [slachtoffer] bestond een leeftijdsverschil van vier jaar. Hierdoor was sprake van een ongelijke (machts)verhouding tussen beiden. [verdachte] is sterk gericht geweest op de bevrediging van zijn eigen nieuwsgierigheid en seksuele verlangens. Hij heeft zich weinig aangetrokken van de gevoelens en grenzen van [slachtoffer] . [verdachte] en [slachtoffer] zijn neefjes van elkaar, maar door het incident is de vertrouwens/familieband ernstig beschadigd.
Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik een grote impact op het leven van slachtoffers kan hebben. Het kan langdurige/blijvende en ernstige schade veroorzaken. Dat het incident tot op de dag van vandaag grote impact op het leven van [slachtoffer] (en – indirect – op het leven van zijn broer en de rest van het gezin) heeft, blijkt uit de slachtofferverklaring die de vader van [slachtoffer] tijdens de zitting heeft voorgedragen. [slachtoffer] is angstig en heeft behandeling nodig door een psycholoog om zijn klachten in verband met een posttraumatische stressstoornis te boven te komen.
Rapportages
Uit het Pro Justitia-rapport van 26 november 2025 komt - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren.
[verdachte] is gediagnosticeerd met een oppositioneel opstandige stoornis (ODD), matig in ernst, een licht verstandelijke beperking (verstandelijke ontwikkelingsstoornis), ouder-kindrelatieprobleem (ontoereikende pedagogische begrenzing, pedagogische onmacht), leer - en onderwijsprobleem en problemen verband houdend met justitie.
Ter bijsturing van zijn impulsen en ter holding (co-regulatie) heeft [verdachte] een extern kader nodig. Dit externe kader wordt onvoldoende geboden in de huidige opvoedsituatie. Er is thuis sprake van verschillen in opvoedstijl tussen beide ouders en een gebrekkige aansturing en begrenzing. [verdachte] heeft zich ten tijde van het tenlastegelegde laten leiden door zijn eigen behoeften, waarbij hij niet zozeer bewust uit lijkt te zijn geweest op het toebrengen van schade aan een ander maar hij primair handelde naar zijn behoefte in het moment. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde in verminderde mate aan hem toe te rekenen.
Als [verdachte] (en zijn opvoedsysteem) zonder duidelijk steunkader of ingezette interventie(s) moet terugvallen op zijn (hun) eígen vaardigheden wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. Een beschermend, sterk toezichthoudend kader matigt (mogelijk) het recidiverisico. [verdachte] is ontvankelijk voor positieve bekrachtiging en wil het in de kern graag goed doen.
De psycholoog adviseert een (deels) voorwaardelijk strafdeel met een duidelijk jeugdreclasseringstoezicht, waarin behandeling als bijzondere voorwaarde is opgenomen. Daarnaast lijkt een leerstraf (So Cool, gericht op grenzen en seksualiteit) passend.
Uit het rapport van de Raad van 12 januari 2026 komt - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren.
Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. [verdachte] is een kwetsbare jongen. Hij en zijn ouders hebben intensieve hulp nodig. De raad adviseert om een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van meewerken aan PMT (Psychomotorische Therapie) en meewerken aan MST (Multisysteem Therapie). Ouders staan open voor hulp. Een jeugddetentie vindt de Raad niet passend omdat dit niet bij zal dragen aan het verkleinen van de recidivekans. Hoewel [verdachte] zou kunnen profiteren van een leerstraf, maakt de Raad de inschatting dat dit naast het advies van PMT en MST te veel kan zijn.
Toerekenbaarheid
De rechtbank zal de bevindingen van psycholoog Korsten in het Pro Justitia rapport van 26 november 2025 overnemen en het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan [verdachte] toerekenen.
Straf
Voor verkrachting geldt in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt een onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor [verdachte] echter niet passend. [verdachte] is nog erg jong. Ten tijde van het seksueel misbruik was hij nog maar 12 jaar oud en nog maar net strafbaar voor zijn daden. [verdachte] is een zeer kwetsbare jonge jongen. Hij en zijn ouders hebben intensieve hulp nodig. De rechtbank vindt dat in deze zaak behandeling op de voorgrond moet staan. Een verplicht kader met structuur en duidelijkheid is noodzakelijk om te voorkomen dat [verdachte] nog een keer in de fout gaat. Ouders hebben hierbij een belangrijke rol. Zij tonen zich betrokken en zijn bereid om hulp te aanvaarden. Een (on)voorwaardelijke werkstraf doet in de ogen van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van het feit en het leed dat [slachtoffer] is aangedaan. De rechtbank zal daarom een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden opleggen met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad zijn geadviseerd. In het opleggen van een leerstraf of de bijzondere voorwaarde van een recidive verminderende training ziet de rechtbank geen meerwaarde, omdat dit naast de andere opgelegde voorwaarden voor [verdachte] waarschijnlijk te veel zal worden. Het is ruim anderhalf jaar geleden dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd. Sindsdien zitten [verdachte] en zijn ouders, maar ook [slachtoffer] en zijn gezin, in onzekerheid over de afloop van deze zaak. De beide families hebben sinds het incident geen contact gehad met elkaar. Voor het opleggen van een contactverbod ziet de rechtbank daarom geen noodzaak.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Zonder sterk toezichthoudend en beschermend kader wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. De intensieve hulp en (systeem)begeleiding die [verdachte] en zijn ouders in het kader van de bijzondere voorwaarden zullen ontvangen zijn essentieel om recidive te voorkomen. De rechtbank vindt het belangrijk dat de hulp en begeleiding snel kan starten en dat de hulp en begeleiding niet stagneert na het eventuele instellen van een rechtsmiddel. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte (zonder de hulp en begeleiding) wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, van een of meer personen.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] , vertegenwoordigd door zijn vader [aangever] , heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 8.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht om het gevorderde bedrag fors te matigen.
Overweging van de rechtbank
Immateriële schade komt voor vergoeding in aanmerking indien er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank vindt dat sprake is van aantasting van de persoon 'op andere wijze'. Uit de onderbouwing bij de vordering volgt dat [slachtoffer] geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij de stukken zit een verklaring van de behandelend GZ-psycholoog, waaruit blijkt dat [slachtoffer] is gediagnosticeerd met posttraumatische stressstoornis (PTSS) en hiervoor wordt behandeld. Daarmee is er een grondslag voor de vordering.
Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. De rechtbank houdt er rekening mee dat het gaat om meermaals anaal binnendringen bij een zeer jong slachtoffer en dat er tussen [verdachte] en [slachtoffer] een familie/vertrouwensband bestond. Ook houdt de rechtbank rekening met de gevolgen voor [slachtoffer] . De rechtbank vindt € 8.000,00 smartengeld in deze zaak een passend bedrag. Op grond van artikel 6:169 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek zijn de (gezaghebbende) ouders van [verdachte] aansprakelijk voor deze schade, nu [verdachte] ten tijde van de onrechtmatige daad twaalf jaar oud was. De rechtbank zal de vordering dan ook jegens hen toewijzen.
Wettelijke rente
(De ouders van) [verdachte] zijn vanaf 3 mei 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht zoals die golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

10 De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder 'De bewezenverklaring', heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder 'De kwalificatie van het bewezenverklaarde';
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van drie maanden;
 stelt als overige voorwaarden dat:
 geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling Jeugdreclassering, te Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
beslissingen op de vordering van de benadeelde partij
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024387764 onderzoek GIGANT / ONRBC24469, gesloten op 8 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] , p. 29 t/m 31.
Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 7; proces-verbaal van aangifte, p. 12, 15 t/m 18.
Verbatim uitwerking van het studioverhoor van [slachtoffer] , p. 40, 41, 44 t/m 53, 55 en 59.
Verbatim uitwerking van het studioverhoor van [getuige] , p. 69, 71, 73, 76 en 77.
Proces-verbaal van het verhoor van verdachte, p. 88 t/m 90. - - - ## Voetnoten
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024387764 onderzoek GIGANT / ONRBC24469, gesloten op 8 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] , p. 29 t/m 31.
Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 7; proces-verbaal van aangifte, p. 12, 15 t/m 18.
Verbatim uitwerking van het studioverhoor van [slachtoffer] , p. 40, 41, 44 t/m 53, 55 en 59.
Verbatim uitwerking van het studioverhoor van [getuige] , p. 69, 71, 73, 76 en 77.
Proces-verbaal van het verhoor van verdachte, p. 88 t/m 90.