Terug naar bibliotheek
Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:1280 - Rechtbank Gelderland - 20 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2026:128020 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5565

uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. J.W. Verhoeven),
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (derde-partij)

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Op vrijdag 21 november 2025 hebben verzoekers het college met een e-mail van 9.10 uur gevraagd om handhavend op te treden tegen grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van een loods op het perceel van derde-partij aan de [locatie] in [plaats] omdat hiervoor geen omgevingsvergunning is verleend. Tevens hebben verzoekers het college gevraagd (preventief) handhavend op te treden tegen de bouw van een loods door derde-partij zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Hierbij hebben zij het college verzocht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk om 10.30 uur diezelfde dag, op het handhavingsverzoek te beslissen. Omdat een beslissing uitbleef hebben verzoekers het college bij e-mail van 21 november 2025, 10.53 uur, in gebreke gesteld en verzocht uiterlijk diezelfde dag om 12.00 uur een beslissing te nemen op het handhavingsverzoek. 3. Omdat besluitvorming uitbleef hebben verzoekers op 21 november 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.[1] Tevens hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 4. Op 23 december 2025 heeft het college een beslissing genomen op het handhavingsverzoek van verzoekers. 5. Bij brief van 13 februari 2026 hebben verzoekers aangegeven het verzoek om voorlopige voorziening niet in te willen trekken omdat zij belang hebben bij en recht hebben op een uitspraak op hun verzoekschrift. Hierbij hebben zij er op gewezen dat zij overlast ondervinden van de loods en dat de loods leidt tot een waardedaling van hun woning.
  1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit verder voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) 'connexiteit'. Het formele connexiteitsvereiste houdt in dat er naast het verzoek om een voorlopige voorziening ook sprake moet zijn van een bezwaar - of beroepszaak. Daarnaast moet wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken ook betrekking hebben op de inhoud van het aangevochten besluit. Dit is het materiële connexiteitsvereiste.
  1. Het verzoek om voorlopige voorziening is connex met het ingediende beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek. Dat betekent dat wat materiële connexiteit betreft ook alleen het niet tijdig nemen van een besluit beoordeeld kan worden. De vraag of het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen en dat verzoekers stellen overlast te ondervinden van de loods en hun woning door de loods in waarde daalt is – wat daar overigens ook van zij – in deze procedure derhalve niet aan de orde.
  1. Inmiddels heeft het college beslist op het handhavingsverzoek. Er is daarom geen spoedeisend belang. Reeds daarom is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. In een afzonderlijke uitspraak zal de rechtbank uitspraak doen op het beroep dat verzoekers hebben ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Conclusie en gevolgen

  1. Omdat er geen spoedeisend belang is, is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer ARN 25/5567. - - - ## Voetnoten
Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer ARN 25/5567.