Terug naar bibliotheek
Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2025:11615 - Rechtbank Gelderland - 24 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2025:1161524 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **GELDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer / rekestnummer: 11465656 \ HA VERZ 24-91
Beschikking van 24 december 2025
in de zaak van

1 [verzoeker 1] ,

  1. [verzoeker 2], 3. [verzoeker 3], 4. [verzoeker 4] ,
5.[verzoeker 5], 6. [verzoeker 6],
allen zonder bekende woon - of verblijfplaats,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers] ,
gemachtigde: mr. M. Bakhuis,
tegen

1 [verweerder 1] ,

  1. [verweerder 2],
beide te [vestigingsplaats] ,
hierna samen te noemen: [verweerders 1 en 2] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
gemachtigde: mr. R.G. Kamphuis.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de beschikking van 20 juni 2025 - het verweerschrift in het incident van [verweerders 1 en 2] - de akte uitlating van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] .
1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De verdere beoordeling

2.1. In de beschikking van 20 juni 2025 heeft de kantonrechter, voor zover van belang:
in de hoofdzaak:
in de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv: - het verzoek afgewezen;
in het incidentele verzoek:
2.2. [verweerders 1 en 2] heeft in het verweerschrift in het incident bevestigd dat [verweerder 1] de aan te spreken partij is omdat binnen deze vennootschap de activiteiten plaatsvinden waarvoor [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] zijn ingezet. [verweerders 1 en 2] erkent dat deze verzoekers (kort) via uitzendbureau [bedrijf 1] bij [verweerder 1] werkzaam zijn geweest.
2.2.1. [verweerders 1 en 2] heeft facturen van [bedrijf 1] overgelegd die betrekking hebben op de inzet van voornoemde verzoekers in de periode van week 43, 44 en 45 van 2024, alsmede een overzicht van de geregistreerde uren en werktijden. Verder heeft [verweerders 1 en 2] met stukken onderbouwd gesteld dat de betreffende facturen aan [bedrijf 1] zijn voldaan.
Tenslotte heeft [verweerders 1 en 2] door [bedrijf 1] aan haar verstrekte loonstroken en betalingsbewijzen overgelegd en gesteld dat hieruit blijkt dat verzoekers door [bedrijf 1] zijn betaald en dat die uitbetaling even heeft geduurd vanwege het, ondanks herhaald verzoek, ontbreken van rekeningnummers van verzoekers.
2.2.2. [verweerders 1 en 2] heeft verzocht om afwijzing van de vorderingen van [verzoekers]
2.3. [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] stellen dat [verweerders 1 en 2] onvoldoende heeft voldaan aan het incidentele verzoek. Zij hebben de nodige kanttekeningen geplaatst bij de door [verweerders 1 en 2] overgelegde stukken en (onder meer) gesteld dat deze niet duidelijk maken of de door hen gevorderde bedragen over de periode tot en met 7 november 2024 zijn betaald. [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] stellen de verzoeken zoals genoemd in 3.1. onder 2 en onder 5 van de beschikking van 20 juni 2025 te handhaven. Zij sluiten daarbij aan bij de erkenning van [verweerders 1 en 2] dat [verweerder 1] de in deze aan te spreken partij is.
in de hoofdzaak
2.4. In de beschikking van 20 juni 2025 (zie r.o. 4.14) is al geoordeeld dat de tegen [verweerders 1 en 2] gerichte (primaire) verzoeken van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] , zoals genoemd in 3.1. onder 2 en onder 5 van die beschikking toewijsbaar zijn. Er is niet in die beschikking al definitief op die verzoeken beslist omdat – kort gezegd – onduidelijk was wie de inlenende partij was ( [verweerder 1] , [verweerder 2] of beide) en daarover mogelijk meer duidelijkheid zou ontstaan naar aanleiding van het incidentele verzoek (zie r.o. 4.15 en 4.21).
2.5. Tussen partijen staat nu vast dat [verweerder 1] de inlenende partij is. Gelet op het in de beschikking van 20 juni 2025 gegeven oordeel betekent dit dat de voornoemde verzoeken jegens die vennootschap toewijsbaar zijn.
2.6. De vraag is vervolgens of en zo ja welke (andere) gevolgen er verbonden dienen te worden aan de naar aanleiding van het incidentele verzoek overgelegde stukken en hetgeen [verweerders 1 en 2] op basis daarvan in het verweerschrift in het incident naar voren heeft gebracht.
2.7. De hier aan de orde zijnde verzoeken zien op de periode tot 8 november 2024 en meer specifiek op de periodes zoals die voor [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] zijn vermeld in r.o. 3.2.2 van de beschikking van 20 juni 2025. De kantonrechter heeft de loonbedragen waarvan betaling is verzocht toewijsbaar geacht, omdat door [verweerders 1 en 2] :
(zie r.o. 4.10 van de beschikking).
2.8. De inhoud van het verweerschrift in het incident strekt er feitelijk toe om in de hoofdzaak alsnog de hiervoor onder b, c en d genoemde elementen te betwisten en aldus het oordeel over de toewijsbaarheid van de aangehouden verzoeken ter discussie te stellen.
Dat is echter in strijd met een goede procesorde. Gesteld noch gebleken is dat wat [verweerders 1 en 2] nu in het incident naar voren brengt en de stukken die zij daaraan ten grondslag legt niet reeds eerder in de hoofdzaak naar voren had kunnen worden gebracht, respectievelijk eerder hadden kunnen worden ingebracht. In plaats daarvan heeft [verweerders 1 en 2] ervoor gekozen slechts beperkt verweer te voeren, stukken waarover zij kennelijk kon beschikken en die van belang waren voor de beoordeling van de zaak niet in te brengen, geen duidelijkheid te verschaffen op het punt van de inlenende vennootschap en ook de naam van het ingeschakelde uitzendbureau niet ondubbelzinnig kenbaar te maken. De gevolgen van die proceshouding dienen voor haar rekening te blijven.
De kantonrechter laat dan nog daar dat in het verweerschrift in het incident niet wordt ingegaan op de individuele loonaanspraken en de daaraan door de respectievelijke verzoekers ten grondslag gelegde uitgangspunten en evenmin op de vraag welke betekenis de overgelegde stukken volgens [verweerders 1 en 2] hebben voor die individuele loonaanspraken.
2.9. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om terug te komen op het eerder geven oordeel dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] over de periode tot 8 november 2024 aanspraak kunnen maken op de brutoloonbedragen zoals die in hun respectievelijke verzoeken zijn genoemd, te vermeerderen met de vakantietoeslag en met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 20%.
2.10. Uit de door [verweerders 1 en 2] overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de kantonrechter wel genoegzaam dat er in juli 2025 loonbedragen zijn overgemaakt aan [verzoeker 1] (€ 56,31 en 323,90 op 17 juli 2025), [verzoeker 2] (€ 434,99 op 21 juli 2025), [verzoeker 4]
(€ 164,47 en € 431,44 op 17 juli 2025), [verzoeker 5] (€ 373,68 op 21 juli 2025) en [verzoeker 6]
(€ 373,68 op 21 juli 2025) en dat deze betrekking hebben op de hier in geding zijnde periodes. Verzoekers hebben de ontvangst van die bedragen ook niet betwist. Er is daarom aanleiding om te bepalen dat deze bedragen in mindering strekken op hetgeen is verzocht.
2.11. [verweerders 1 en 2] is de in het ongelijk gestelde partij. Gelet op de erkenning dat [verweerder 1] de aan te spreken partij is, zal die vennootschap worden veroordeeld in de proceskosten van [verzoekers] Die proceskosten worden begroot op € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
in het incidentele verzoek
2.12. Gesteld noch gebleken is dat er, mede gelet op wat hiervoor is overwogen en beslist, nog sprake is van enig belang bij een beslissing op het incidentele verzoek. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
2.13. Partijen zijn ingevolge artikel 21 Rv verplicht de voor de procedure van belang zijnde feiten volledig aan te voeren. [verweerders 1 en 2] heeft in de procedure weliswaar feitelijk erkend dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] (kort) via een uitzendbureau bij haar werkzaam zijn geweest, maar zij heeft daarbij geen duidelijkheid verschaft over de inlenende vennootschap en het ingeschakelde uitzendbureau en zij heeft de inzet van deze verzoekers verder ook niet nader feitelijk geconcretiseerd. Het incidentele verzoek was erop gericht juist daaromtrent duidelijkheid te verkrijgen en die duidelijkheid is er met de bij het verweerschrift in het incident overgelegde stukken (deels) gekomen. Niet gezegd kan daarom worden dat het incidentele verzoek zonder grond is ingediend. Er is daarom, ondanks de afwijzing van het verzoek vanwege het ontbreken van een actueel belang, grond om (ook hier) [verweerder 1] te veroordelen in de kosten van het incidentele verzoek. Die proceskosten worden begroot op € 406,50 aan salaris gemachtigde.

3 De beslissing

De kantonrechter
in de hoofdzaak
3.1. veroordeelt [verweerder 1] tot betaling aan [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] van het brutoloon over de in r.o. 3.2.2 van de beschikking van
20 juni 2025 vermelde, op hen betrekking hebbende periodes, bedragende voor
 [verzoeker 1] : € 1.778,40 bruto
 [verzoeker 2] : € 684,00 bruto
 [verzoeker 4] : € 1.231,20 bruto
 [verzoeker 5] : € 820,80 bruto
 [verzoeker 6] : € 820,80 bruto
alles te vermeerderen met de vakantietoeslag en met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 20% en met dien verstande dat de hiervoor onder 2.10 genoemde (netto)betalingen hierop bij de verzoekers die het betreft in mindering dienen te worden gebracht;
3.2. veroordeelt [verweerder 1] om aan ieder van verzoekers genoemd onder 3.1 binnen vijf werkdagen na betekening van de beschikking deugdelijke bruto/netto specificaties te verstrekken betreffende het loon van ieder van hen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag, nadat betekening is gevolgd en voornoemde termijn van vijf werkdagen is verstreken, zulks met een maximum van
€ 2.500,00;
3.3. veroordeelt [verweerder 1] in de proceskosten van [verzoekers] van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval de beschikking wordt betekend;
3.4. veroordeelt [verweerder 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening;
3.5. verklaart deze beschikking ten aanzien van deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
in het incidentele verzoek
3.7. wijst het verzoek af;
3.8. veroordeelt [verweerder 1] in de proceskosten van [verzoekers] van € 406, 50 (1,5 punt x € 271,00) te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking.