Terug naar bibliotheek
Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2025:11577 - Rechtbank Gelderland - 17 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBGEL:2025:11577•17 december 2025
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/440160 / HA ZA 24-439
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
ZSM TAX V.O.F.,
te Oss,
eisende partij,
hierna te noemen: ZSM,
advocaat: mr. M.P. Harten,
tegen
GELDERSCH PAKHUYS FINANCIEEL ADVIES B.V.,
te Duiven,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Taxiverzekeringen,
advocaat: mr. J.A. Kopp.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 augustus 2025 - de akte van ZSM - de antwoordakte van Taxiverzekeringen.
1.2. Ten slotte is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis wijst.
2 De beslissing in het kort
De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep van Taxiverzekeringen op eigen schuld van ZSM slaagt, omdat ZSM de vragen 5 en/of 6 op het aanvraagformulier van een nieuwe taxiverzekering bij Avéro ten onrechte met 'nee' heeft ingevuld, terwijl sprake was van een EVR-registratie. Bij beantwoording van die vragen met 'ja' zou de schade niet zijn ontstaan. Dit leidt tot afwijzing van de vorderingen van ZSM. De rechtbank legt dit hierna uit.
3 De beoordeling in de tussenvonnissen van 14 mei 2025 en 27 augustus 2025
3.1. In het tussenvonnis van 14 mei 2025 is overwogen dat nog niet vaststaat dat ZSM het aanvraagformulier onjuist en/of onvolledig heeft ingevuld, mede omdat in vraag 5 en 6 niet uitdrukkelijk naar het bestaan van een EVR-registratie is gevraagd.[1] De rechtbank heeft ZSM het bevel gegeven om informatie te verstrekken over de aard en inhoud van de EVR-registratie die voor Avéro reden was om geen nieuwe verzekeringsovereenkomst met ZSM te willen sluiten. Hierbij is ZSM verzocht om toe te lichten wie de EVR-melding heeft gedaan, wanneer en waarom diegene de EVR-melding heeft gedaan en wat de duur van de EVR-registratie is. Indien deze informatie daartoe aanleiding geeft, diende ZSM tevens concreet te onderbouwen waarom de EVR-registratie wel of niet relevant is voor de beantwoording van de vragen 5 en 6 op het aanvraagformulier. ZSM diende de rechtbank zoveel als mogelijk in staat te stellen om te kunnen beoordelen of ZSM de vragen 5 en 6 juist en volledig heeft ingevuld.[2]
3.2. In het tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de rechtbank een tweede bevel aan ZSM gegeven. Dit bevel zag specifiek op de vraag of er ten tijde van het invullen van het aanvraagformulier (op 8 januari 2019) en de afwijzing van de aanvraag door Avéro (op 4 maart 2019) een EVR-registratie was op naam van (a.) [naam 1] en/of (b.) [naam 2] . Hierover diende ZSM alsnog de informatie, toelichting en onderbouwing te verstrekken die de rechtbank in het tussenvonnis van 14 mei 2025 heeft verlangd.[3]
4 De verdere beoordeling
4.1. Volgens ZSM volgt uit het resultaat van inzageverzoeken bij het CIS dat op naam van [naam 1] en [naam 2] geen EVR-registratie bestaat. Hieruit blijkt volgens haar dat haar vennoten niet bekend waren met een registratie in het EVR en dat zij de vragen 5 en 6 op het aanvraagformulier niet onjuist of onvolledig heeft beantwoord.
Er was een EVR-registratie en ZSM was hiervan op de hoogte
4.2. In het tussenvonnis van 14 mei 2025 ligt de vaststelling besloten dát er een EVR-registratie was. Dit was gesteld door Taxiverzekeringen en niet betwist door ZSM. ZSM is dat voor het eerst na dat tussenvonnis (en het bevel om nadere informatie te verstrekken over de aard en inhoud van die registratie) gaan betwisten. Dit doet zij zonder succes.
4.3. Uit het resultaat van de inzageverzoeken bij het CIS kan hoogstens worden afgeleid dat er op 6 juni 2025 ( [naam 1] ) respectievelijk 25 september 2025 ( [naam 2] ) geen EVR-registratie zichtbaar was. Uit de eigen stellingen van ZSM volgt echter dat de bewaartermijn van zo'n registratie acht jaar is en dat data na het verstrijken van die termijn volledig en automatisch worden verwijderd. Op basis van de voornoemde inzageverzoeken kan dus slechts worden vastgesteld dat er tussen 2017 en 2025 geen registratie heeft plaatsgevonden. Dit laat onverlet dat er vóór 2017 een EVR-registratie kan hebben plaatsgevonden die in 2019 bij het invullen van het aanvraagformulier en het afwijzen van de aanvraag door Avéro Achmea nog zichtbaar was en anno 2025 niet meer.
4.4. Met de brief van Avéro Achmea van 4 maart 2019 is de aanvraag van ZSM voor een nieuwe taxiverzekering afgewezen vanwege een EVR-registratie. Als productie 2 bij de antwoordakte van Taxiverzekeringen van 6 augustus 2025 zijn onder meer de volgende e-mails van Nationale Nederlanden en Achmea overgelegd.
4.5. Uit de brief van 4 maart 2019 en de voornoemde e-mails volgt dat (a.) er een EVR-registratie was, (b.) betrokkene hierover in 2015 is geïnformeerd, (c.) deze registratie actueel was op het moment van de verzekeringsaanvraag bij Avéro in 2019, (d.) deze registratie de aanleiding was voor Avéro om de aanvraag af te wijzen en (e.) de brief na de afwijzing van de aanvraag door Avéro in maart 2019 nog een keer aan betrokkene is toegestuurd in april 2019. Dit alles heeft ZSM onvoldoende betwist. Ter zitting heeft ZSM aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van een EVR-registratie en dat zij niet heeft geprobeerd om er achteraan te gaan. Volgens Taxiverzekeringen klopt dit niet, omdat betrokkenen altijd bericht krijgen van een EVR-registratie. In haar antwoordakte voegt Taxiverzekeringen hieraan toe dat uit de voornoemde e-mails blijkt dat ZSM vóór 2019 op de hoogte was van de EVR-registratie. In haar akte van 8 oktober 2025 betwist ZSM niet dat inderdaad, zoals Taxiverzekeringen stelt, uit voornoemde e-mails blijkt dat zij in 2015 en nogmaals op eigen verzoek in 2019 is geïnformeerd over de EVR-registratie. Uitgangspunt is derhalve dat er in 2019 een EVR-registratie was én dat ZSM hierover in 2015 is geïnformeerd, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat zij hiervan op de hoogte was ten tijde van het beantwoorden van de vragen 5 en 6 op het aanvraagformulier op 8 januari 2019.
De vragen 5 en/of 6 op het aanvraagformulier zijn onjuist beantwoord
4.6. Ondanks het feit dat ZSM hiertoe tweemaal een bevel heeft gekregen, heeft zij geen nadere informatie over de aard en inhoud van de EVR-registratie verstrekt. Het lag, zeker nadat Taxiverzekeringen de voornoemde e-mails van Achmea en Nationale Nederlanden in het geding had gebracht, waarin melding wordt gemaakt van een brief die in 2015 en 2019 aan betrokkene is verstuurd, op de weg van ZSM om die brief in het geding te brengen en om contact op te nemen met Nationale Nederlanden en/of Achmea om inzicht te kunnen geven in de details van de EVR-registratie om te kunnen voldoen aan de bevelen van de rechtbank én om haar betwisting voldoende te kunnen onderbouwen. Dit heeft zij nagelaten.
4.7. Hiermee heeft ZSM de rechtbank, anders dan de bedoeling was, niet zoveel mogelijk in staat gesteld om te beoordelen of zij de vragen 5 en 6 op het aanvraagformulier juist en volledig heeft ingevuld. Een en ander betekent dat zij niet heeft voldaan aan de gegeven bevelen én de relevante feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd (artikel 21 en 22 Rv). De rechtbank kan daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. In dit geval gaat de rechtbank, gelet op het voorgaande, uit van de juistheid van de stelling van Taxiverzekeringen dat de reden voor de EVR-registratie aanleiding had moeten zijn voor de beantwoording van de vragen 5 en/of 6 met 'ja'.
4.8. De rechtbank dient overigens ook uit te gaan van de juistheid van deze stelling van Taxiverzekeringen omdat ZSM deze stelling onvoldoende heeft betwist. In het tussenvonnis van14 mei 2025 is overwogen dat de stelplicht weliswaar op Taxiverzekeringen rust, maar dat op ZSM een verzwaarde motiveringsplicht rust. Zij kan voor haar betwisting niet met een enkele ontkenning volstaan.[4] In de kern is dit echter wel wat zij heeft gedaan: zij is het bestaan van de registratie gaan ontkennen en doet dat, naar uit het voorgaande blijkt, ten onrechte. Dit terwijl zij had moeten uitleggen waarom de EVR-registratie niet tot een andere beantwoording van de vragen 5 en/of 6 had hoeven leiden.
4.9. De conclusie is derhalve dat ZSM de vragen 5 en/of 6 op het aanvraagformulier onjuist heeft beantwoord. Bij die stand van zaken slaagt het beroep op eigen schuld.
De schade is het gevolg van de onjuiste beantwoording van de vragen 5 en/of 6
4.10. De schade is mede een gevolg van de onjuiste beantwoording van de vragen 5 en/of 6 op het aanvraagformulier. De rechtbank legt dat hierna uit.
4.11. Tijdens de zitting heeft [naam 3] van Taxiverzekeringen het volgende verklaard. Als hij een aanvraagformulier retour ontvangt, beoordeelt hij of hij dat formulier aan Avéro kan doorzetten. Als er staat dat er een EVR-registratie is, dan weet hij dat hij geen aanvraag bij Avéro hoeft te doen. Hij kende ZSM al twee jaar. Het was een goede klant en alle vragen waren met 'nee' beantwoord. Daarom is hij ervan uitgegaan dat het met de dekking wel goed zou komen. Net als bij alle andere aanvragen die hij bij Avéro heeft gedaan. Dit is de enige aanvraag die is afgewezen, aldus [naam 3] . ZSM heeft dit alles niet betwist.
4.12. Vast staat daarom dat [naam 3] , indien ZSM de vragen 5 en/of 6 met 'ja' zou hebben beantwoord in plaats van met 'nee', niet de mededeling zou hebben gedaan dat de taxibus per 1 januari 2019 'gewoon verzekerd' was (bij Avéro). Het risico dat Avéro geen voorlopige dekking zou willen verlenen, heeft [naam 3] als verwaarloosbaar klein ingeschat op basis van de onjuiste antwoorden op het aanvraagformulier. Zij heeft dus vertrouwd op de juistheid hiervan, terwijl een essentieel gegeven – het bestaan en de reden voor de EVR-registratie – voor haar is achtergehouden. Tegen die achtergrond moet worden aangenomen dat Taxiverzekeringen de dekkingsbevestiging niet zou hebben gegeven, indien ZSM het aanvraagformulier niet onjuist zou hebben ingevuld.
4.13. In de situatie dat Taxiverzekeringen de onjuiste dekkingsbevestiging niet zou hebben gegeven en aan ZSM zou hebben verteld dat de taxibus niet (voorlopig) verzekerd was bij Avéro, zou ZSM naar eigen zeggen tijdig elders een verzekering hebben afgesloten. De EVR-registratie stond daaraan niet zonder meer in de weg, omdat vast staat dat De Vereende ook geregistreerde verzekeringnemers accepteert.[5] [naam 3] heeft verklaard dat hij ZSM dan meteen zou hebben geadviseerd om een aanvraag bij De Vereende in te dienen en [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat hij zijn verzekeringen nu bij De Vereende heeft afgesloten. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat de taxibus wel verzekerd zou zijn geweest en De Vereende wel zou hebben uitgekeerd indien ZSM het aanvraagformulier niet onjuist zou hebben ingevuld. De gehele schade zou dan niet zijn ontstaan.
4.14. In het licht daarvan is de schade zozeer het gevolg van de gedragingen van ZSM dat de schade geheel voor haar rekening moet blijven. De billijkheid leidt niet tot een andere verdeling. Het verweer slaagt. De vorderingen van ZSM zullen worden afgewezen.
ZSM moet de proceskosten van € 6.709,00 betalen
4.15. Het verzoek van Taxiverzekeringen om ZSM te veroordelen in de werkelijke proceskosten tot een bedrag van € 15.820,92 is niet toewijsbaar. Kort samengevat ligt aan dit verzoek ten grondslag dat ZSM het bestaan van een EVR-registratie in strijd met de waarheid heeft ontkend. Op zichzelf klopt dat, maar de rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor meer of andere gevolgtrekkingen dan die hiervoor in 4.8 zijn gemaakt. Los hiervan kan een verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten alleen worden toegewezen in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.[6] Wat Taxiverzekeringen heeft gesteld, kan, gelet op de terughoudendheid die daarbij past, die conclusie niet dragen.
4.16. ZSM krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Taxiverzekeringen worden begroot op:
4.17. Taxiverzekeringen vordert wettelijke rente over de proceskosten. Deze wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vorderingen van ZSM af,
5.2. veroordeelt ZSM in de proceskosten van € 6.709,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als ZSM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3. veroordeelt ZSM tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
1906
Zie het tussenvonnis van 14 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3780, onder 5.33.
Zie het tussenvonnis van 14 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3780, onder 5.35 tot en met 5.38.
Zie het tussenvonnis van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7208, onder 2.7.
Zie het tussenvonnis van 14 mei 2025, onder 5.32 en 5.34.
Zie het tussenvonnis van 14 mei 2025, onder 5.19.
Zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828. - - - ## Voetnoten