Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:95 - Rechtbank Den Haag - 6 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:956 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56530

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

  1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank en zittingsplaats, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 21 november 2023.
1.2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.[1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
  1. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.[2] Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig.[3]
  1. In de uitspraak van 7 mei 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.
  1. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
  1. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.[4] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het '8+8 wekenmodel'.[5]
  1. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden[6] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Als uitgangspunt geldt dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. In dit geval heeft op 28 juli 2025 een nader gehoor plaatsgevonden. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van vier weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
  1. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.[7]
  1. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100, - per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.[8]

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
  1. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467.[9]

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2020:1560.
Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353.
Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, - en een wegingsfactor van 0,5. - - - ## Voetnoten
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2020:1560.
Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353.
Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, - en een wegingsfactor van 0,5.