Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:63 - Rechtbank Den Haag - 2 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:632 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62770

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.LA. van Ittersum).

Inleiding

  1. De minister heeft op 22 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw[1] opgelegd.
1.1. Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 januari 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

  1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn.
Het voortraject
  1. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
De maatregel van bewaring
  1. Eiser voert aan dat in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd dat er in zijn geval sprake is van een actueel gevaar voor de openbare orde. De minister heeft louter verwezen naar de ISD-maatregel en de delicten waarvoor eiser is veroordeeld, zonder deze veroordelingen concreet toe te lichten en zonder toe te lichten waarom de persoonlijke gedragingen van betrokkene een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 september 2025.[2]
  1. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2015, dat het begrip 'openbare orde' in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw zo moet worden opgevat dat de persoonlijke gedragingen van een verzoeker een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde moeten vormen en dat niet mag worden volstaan met een enkele verwijzing naar een veroordeling om dat gevaar te motiveren.[3]
  1. De motivering van de maatregel begint met een korte overweging dat eiser zich meerdere malen heeft schuldig gemaakt aan verschillende vermogensdelicten, waarbij de kans op recidive groot is. Verder wordt in de maatregel vooral aandacht besteed aan de bespreking van de zware en lichte gronden en het daarbij behorende risico op onttrekking. Echter, zoals de minister zelf ook heeft aangegeven, zijn deze aspecten niet relevant voor de onderbouwing van de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Daarnaast wordt ergens in de maatregel gesteld dat de criminele gedragingen van eiser ertoe hebben geleid dat het inreisverbod van twee jaar is omgezet naar tien jaar, dat eiser is veroordeeld en voor de duur van twee jaar is geplaatst in een ISD[4], en wordt verwezen naar eisers veroordelingen en het uittreksel van de JD[5]. De minister heeft daarbij op de zitting toegelicht dat deze ISD-maatregel de ernst van de gedragingen van eiser aantoont en dat het feit dat deze ISD-maatregel voor de maximale duur is opgelegd, de actualiteit van het gevaar onderstreept.
  1. Daarmee heeft de minister echter nog niet voldoende kenbaar gemaakt waarom op het moment van de inbewaringstelling de persoonlijke gedragingen van eiser een voldoende ernstig en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de ISD-maatregel is opgelegd op 3 februari 2023, dat deze is opgelegd in verband met het plegen van meerdere diefstallen en dat deze maatregel inmiddels is tenuitvoergelegd. Dat de maatregel is opgelegd betekent echter niet zonder meer dat er op dit moment sprake is van een actueel gevaar. Nu een nadere motivering van dit ernstige en actueel gevaar voor de openbare orde ontbreekt, is de maatregel onvoldoende gemotiveerd en daarom onrechtmatig. De beroepsgrond slaagt.
  1. Omdat het beroep gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

  1. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 januari 2026.
9.1. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, te weten vanaf 22 december 2025 tot en met 2 januari 2026, ten bedrage van 2 x €130, - (verblijf politiecel) en 10 x € 100, - (verblijf detentiecentrum) = € 1.260,-.
9.2. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2015:11474.
Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4075) en 13 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1528).
Inrichting voor Stelselmatige Daders
Justitiële Documentatie - - - ## Voetnoten
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2015:11474.
Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4075) en 13 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1528).
Inrichting voor Stelselmatige Daders
Justitiële Documentatie