Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:4136 - Rechtbank Den Haag - 27 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2026:4136•27 februari 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8490
(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: eiser (met behulp van een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
- Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Weliswaar klopt het dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, maar dit heeft hij destijds gedaan omdat hij van anderen had gehoord dat zijn asielprocedure niet kansrijk was. Daarnaast heeft eiser zich eerder gewend tot de International Organization for Migration (IOM). Dat eiser het vertrek via de IOM niet heeft doorgezet, houdt verband met zijn verantwoordelijkheid om zijn familie in Oezbekistan financieel te onderhouden. Om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, heeft eiser besloten tijdelijk in Nederland te blijven werken. Deze omstandigheden had de minister bij de belangenafweging moeten betrekken.
1.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft in de maatregel terecht gewezen op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en waaruit het risico op onttrekking aan het toezicht volgt. Van belang is verder dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken door met onbekende bestemming uit de opvang te vertrekken en, ondanks zijn aanmelding bij de IOM, niet daadwerkelijk is vertrokken. Dat eiser niet zelfstandig is vertrokken, omdat hij in het levensonderhoud van zijn familie wilde voorzien, maakt niet dat de minister hierin aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Bovendien heeft de minister zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft verklaard niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan, zodat er geen concrete aanknopingspunten bestaan dat hij nu wel aan zijn vertrekplicht zal voldoen. Hiermee heeft de minister voldoende gemotiveerd dat met een lichter middel dan inbewaringstelling niet kon worden volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
- Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
[1]
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X). - - - ## Voetnoten