Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:3699 - Rechtbank Den Haag - 24 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2026:3699•24 februari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4940
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
- Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 28 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit.
1.1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Feiten
- Eiser is geboren op [geboortedag] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 23 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
- Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.
[1] Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 30 september 2024 een asielaanvraag heeft ingediend in Bulgarije. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.[2] Op 18 november 2025 hebben de Bulgaarse autoriteiten dit verzoek aanvaard.
- Eiser heeft betoogd dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft genomen en ondeugdelijk heeft voorbereid door daar niet alle bronnen over de situatie in Bulgarije te betrekken. Uit het AIDA-rapport van maart 2025 – update 2024 – blijkt dat de situatie van asielzoekers in Bulgarije steeds verder achteruitgaat en dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel - en opvangsysteem. Volgens eiser wordt daarmee voldaan aan de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
[3] Eveneens verwijst eiser voor zijn standpunt naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem[4] en Groningen,[5] waarin dit rapport aanleiding is geweest het beroep gegrond te verklaren. In deze zaken is verweerder niet in hoger beroep gegaan. Andere zittingsplaatsen houden vast aan uitspraken van de Afdeling,[6] maar de Afdeling heeft het AIDA-rapport update 2024 niet in haar oordeel betrokken.
Beoordeling door de rechtbank
- Vastgesteld wordt dat niet in geschil is dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
- Verweerder mag ten aanzien van Bulgarije in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat andere lidstaten vreemdelingen behandelen in overeenstemming met het EVRM,
[7] het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. De vraag of van dit beginsel kan worden uitgegaan, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Op grond daarvan moet een lidstaat het asielverzoek zelf behandelen indien ernstig moet worden gevreesd dat in de verantwoordelijke lidstaat, hier Bulgarije, sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of opvang die leiden tot een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest[8] of artikel 3 van het EVRM. Bij deze beoordeling is met name het arrest Jawo van belang. Als blijkt dat er sprake is van structurele tekortkomingen dan moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel bereiken om onder het bereik van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM te vallen.[9] Blijkens het arrest Jawo wordt deze drempel pas bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor deze persoon niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn levensomstandigheden mensonwaardig worden.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak
[10] van 27 juni 2024 met betrekking tot de AIDA-rapporten over 2022 en 2023, voor zover die voor Dublinclaimanten van belang zijn, geoordeeld dat uit die rapporten niet blijkt dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarbij heeft de Afdeling de zorgen over de pushbackpraktijken, de toegang tot en de situatie in de opvangcentra, de omstandigheden in detentiecentra en de toegang tot rechtsbijstand betrokken. De verwijzing naar het AIDA-rapport van 27 maart 2025 leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2025,[11] 6 oktober 2025[12] en 17 november 2025[13] waarin dit AIDA-rapport is betrokken. Daaruit volgt dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie voor Dublinterugkeerders dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten. Met de verwijzing naar het AIDA-rapport van maart 2025 heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat in Bulgarije sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure, waardoor niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Bulgarije het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en mag verweerder als gevolg hiervan ervan uitgaan dat eiser in Bulgarije in de gelegenheid wordt gesteld om een nieuwe asielaanvraag in te dienen en dat deze nieuwe asielaanvraag in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Indien eiser in Bulgarije tekortkomingen ervaart, ligt het op zijn weg hierover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
- Voor zover eiser heeft gesproken over zijn persoonlijke ervaringen in Bulgarije merkt de rechtbank op dat in het arrest X tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024
[14] is benadrukt dat de beoordeling of sprake is van systeemfouten die de bijzonder hoge drempel bereiken van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM, afhangt van de situatie waarin de verzoeker zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou bevinden. Aangezien eiser niet eerder als Dublinclaimant in Bulgarije is geweest, kan hij niet uit eigen ervaring verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten daar. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer als Dublinclaimant in Bulgarije een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.
Conclusie en gevolgen
- Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
ECLI:NL:RBDHA:2025:15059.
ECLI:NL:RBDHA:2025:21928.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zo volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:199.
ECLI:NL:RVS:2024:2647.
ECLI:NL:RVS:2025:2387.
ECLI:NL:RVS:2025:4765.
ECLI:NL:RVS:2025:5536.
ECLI:EU:C:2024:195. - - - ## Voetnoten