Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:3644 - Rechtbank Den Haag - 24 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2026:3644•24 februari 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6338
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
- De minister heeft op 26 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 7 november 2025.[1] Op het eerste vervolgberoep heeft zij beslist met haar uitspraak van 30 december 2025.[2]
1.2. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde (allebei via een videoverbinding) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
- Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
[3]
- Uit de uitspraak van 30 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (23 december 2025) rechtmatig is.
Heeft eiser rechtmatig verblijf?
- Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat, omdat hij rechtmatig in Nederland verblijft op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez.
[4] Eiser betoogt hiertoe dat hij een kind heeft dat hij heeft erkend. Dit kind heeft de Duitse nationaliteit en verblijft bij zijn moeder in Duitsland. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser in beroep de geboorteakte van dit kind, een akte betreffende het gezamenlijk ouderlijk gezag door eiser en de moeder, de Duitse identiteitskaart van de moeder en een schriftelijke verklaring van de moeder overgelegd. Eiser stelt zorg - en opvoedtaken te verrichten.
4.1. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser van mening is dat hij op grond van artikel 20 van het VWEU[5] een van het kind afgeleid verblijfsrecht heeft. Dit wordt gebaseerd op het arrest Chavez-Vilchez, waarin het Hof van Justitie uitleg heeft gegeven over deze bepaling. Uit dit arrest volgt – kort gezegd – dat artikel 20 van het VWEU zo moet worden uitgelegd dat moet worden beoordeeld of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de derdelander-ouder, dat het kind feitelijk gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de derdelander-ouder verblijfsrecht wordt ontzegd.
4.2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 25 september 2019,[6] onder andere overwogen dat de rechter in een geding over vreemdelingenbewaring kan toetsen of een vreemdeling een declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft, als de vreemdeling daarvoor geen aanvraag heeft ingediend.
4.3. Eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. Aan eiser is op 28 juli 2016 een beschikking opgelegd waarin zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen en een terugkeerbesluit is opgelegd. Op 26 oktober 2025 is aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft voorgaand aan het terugkeerbesluit of het nemen van de maatregel van bewaring op 26 oktober 2025 geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die zouden kunnen duiden op rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht.
4.4. Ook daarna heeft eiser zulke aanknopingspunten niet naar voren gebracht. Eiser heeft geen aanvraag om toetsing aan het Unierecht ingediend. Daarnaast heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank op basis van de overgelegde stukken op dit moment onvoldoende onderbouwd dat tussen eiser en het kind evident een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zouden zijn de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Weliswaar heeft eiser het kind erkend en deelt hij het ouderlijk gezag met de moeder, maar de schriftelijke verklaring van de moeder van het kind vormt onvoldoende bewijs dat eiser de daadwerkelijke zorg draagt voor dit kind of dat dit kind afhankelijk is van hem. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet is aangetoond dat eiser een verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bestaat zicht op uitzetting naar Marokko?
- Voor zover eiser – los van het bovenstaande – aanvoert dat geen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt.
[7] Maar ook in de situatie van eiser is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Uit de voortgangsrapportage van 5 februari 2026 blijkt dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig op de laissez-passeraanvraag ten behoeve van eiser (op 8 januari 2026 en 29 januari 2026). De enkele omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten nog geen laissez-passer hebben verstrekt, maakt niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat de Marokkaanse autoriteiten op voorhand te kennen hebben gegeven geen laissez-passer ten behoeve van eiser te zullen verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat er onder deze omstandigheden geen aanleiding is voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de bewaring in strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 24 van het EU Handvest?
- Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring leidt tot vergaande inmenging in het gezinsleven van eiser en zijn kind. Hiertoe betoogt eiser dat de minister het belang van het kind niet bij de maatregel van bewaring heeft betrokken.
6.1. De rechtbank stelt vast dat de minister in de maatregel van bewaring zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en het kind. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat zij onder 4.4 heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en het kind. Overigens heeft eiser geen andere omstandigheden aangevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister een belangenafweging in het voordeel van eiser moeten maken en/of een lichter middel moeten opleggen?
- Eiser voert aan dat de minister moet volstaan met een lichter middel of dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
7.1. De rechtbank wijst hiervoor allereerst naar de uitspraak van 30 december 2025.[8] Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, waardoor een lichter middel dan de inbewaringstelling had moeten volstaan. Eiser heeft geen andere omstandigheden aangevoerd, zodat geen aanleiding bestaat voor een ander oordeel. Ook wijst de rechtbank erop dat het vaste rechtspraak is dat gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toekomt aan het belang van de minister bij de voortduring van de bewaring dan aan het belang van eiser bij zijn invrijheidstelling. Eiser zit op dit moment nog geen zes maanden in bewaring. Nu eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, die ertoe leiden dat aan zijn belang een groter gewicht toekomt dan aan het belang van de minister, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een dergelijk oordeel. Ook deze beroepsgronden slagen daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan.
[9]
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 7 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21126.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25527.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
ECLI:NL:RVS:2019:3262, r.o. 8.
Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25527.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september
2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar). - - - ## Voetnoten