Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:3625 - Rechtbank Den Haag - 23 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:362523 februari 2026

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6566
(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De nationaliteit van eiser
  1. Eiser voert aan dat hij de Senegalese nationaliteit heeft. De minister gaat er echter ten onrechte van uit dat eiser de Gambiaanse nationaliteit heeft. Deze veronderstelling is onder meer gebaseerd op het feit dat de ouders van eiser een Gambiaanse naam zouden hebben en op het feit dat hij geen Frans spreekt. Dit maakt echter niet dat eiser de Gambiaanse nationaliteit heeft. Dat eiser volgens de Duitse autoriteiten de Gambiaanse nationaliteit zou hebben, maakt evenmin dat aangenomen moet worden dat eiser een andere nationaliteit heeft dan de Senegalese.
1.1. Uit eisers aanvulling op de gronden van beroep van 9 februari 2026 en hetgeen tijdens de zitting is besproken, begrijpt de rechtbank dat eiser met dit betoog drie dingen bestrijdt, namelijk: (1) de grondslag van de maatregel, (2) de zware gronden 3d, 3e en 3i en (3) het zicht op uitzetting naar Gambia. De rechtbank zal deze punten hierna bespreken.
Komt de grondslag aan de maatregel te ontvallen?
  1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de bewaringsrechter bij een bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 moet beoordelen of er een geldig terugkeerbesluit is.[1] De rechtbank stelt vast dat op 19 januari 2026 een aanvullend terugkeerbesluit is opgelegd aan eiser, waarin staat dat eiser moet terugkeren naar Gambia. Dit terugkeerbesluit van 19 januari 2026 voldoet aan de formele eisen voor een terugkeerbesluit zoals bepaald in artikel 3, punt 4, van de Terugkeerrichtlijn, en kan dus ten grondslag worden gelegd aan de bewaring. Het terugkeerbesluit ligt verder inhoudelijk niet ter toetsing voor in deze procedure. Eiser heeft daar immers apart beroep tegen kunnen instellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de zware gronden 3d, 3e en 3i aan de maatregel ten grondslag worden gelegd?
  1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon - of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1. De rechtbank stelt vast dat eiser zware grond 3a en lichte grond 4c niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware grond 3a en de lichte grond 4c feitelijk juist, en heeft de minister bij de lichte grond 4c voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit.
Zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser niet beschikte over een paspoort, visum en inreisstempel van het Schengengebied toen hij Nederland inreisde. De minister heeft dan ook terecht gesteld dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen.
Verder is lichte grond 4c feitelijk juist. Uit vaste rechtspraak volgt dat slechts sprake is van een vaste woon - of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP).[2] Eiser staat niet ingeschreven in de BRP. De minister heeft hierbij overtuigend gemotiveerd dat, nu eiser geen vaste woon - of verblijfplaats heeft, het aannemelijk is dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen.
3.2. Zware grond 3a en lichte grond 4c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te kunnen dragen.[3] Wat eiser heeft aangevoerd over de zware gronden 3d, 3e en 3i, kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
  1. De rechtbank begrijpt eisers betoog zo, dat het zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt, nu hij niet de Gambiaanse, maar Senegalese nationaliteit heeft.
4.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat er voldoende aanknopingspunten zijn om een lp-traject op te starten bij de Gambiaanse autoriteiten. Eiser is op 6 november 2025 gepresenteerd bij de ambassade van Senegal. De Senegalese ambassade heeft echter te kennen gegeven dat – op basis van de bij hen bekende gegevens – eiser niet de Senegalese nationaliteit heeft. Eiser spreekt daarnaast geen Frans, wat de nationale taal van Senegal is. Ook hebben de ouders van eiser een Gambiaanse naam. Eiser heeft daarnaast bij de Duitse autoriteiten een andere identiteit en nationaliteit (namelijk de Gambiaanse) opgegeven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat op dit moment geen zicht op uitzetting naar Gambia bestaat. Er zijn voldoende aanknopingspunten om een lp-traject op te starten bij de Gambiaanse autoriteiten. Dit is ook gebeurd op 15 januari 2026. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op 26 februari 2026 voor eiser een presentatie in persoon staat gepland bij de ambassade van Gambia. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
  1. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan het opleggen van de bewaringsmaatregel. Eiser kan voldoen aan een meldplicht. De inbewaringstelling valt eiser daarnaast zwaar en is onnodig.
5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De minister verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Daarnaast heeft eiser eerder de kans gehad om zelfstandig te vertrekken uit Nederland, door middel van het opleggen van een meldplicht. Hij is desondanks in Nederland gebleven. Eisers betoog – dat hij geen financiële middelen heeft om zelfstandig te vertrekken – leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser niet de hulp heeft ingeschakeld van bijvoorbeeld het IOM[4] om vertrek mogelijk te maken. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt immers dat eiser op deze mogelijkheid is gewezen[5].
Dat de inbewaringstelling eiser zwaar valt en – zoals hij stelt – onnodig is, maakt niet dat de bewaring onevenredig bezwarend voor hem is. Eiser heeft dit namelijk niet nader onderbouwd en heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit dit blijkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
  1. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.[6]

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9280.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG9512.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Internationale Organisatie voor Migratie.
M110 Proces-Verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod, p. 4.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X). - - - ## Voetnoten
ABRvS 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9280.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG9512.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Internationale Organisatie voor Migratie.
M110 Proces-Verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod, p. 4.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).