Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:3624 - Rechtbank Den Haag - 23 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:362423 februari 2026

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6996
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
  1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon - of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1. Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is de biometrie van eiser door Kroatië op 5 maart 2024 in Eurodac opgenomen. Hieruit blijkt dat eiser in Kroatië geregistreerd stond in het kader van een asielaanvraag en daarom alleen in dat land mag verblijven.[1] Het was eiser daarom niet toegestaan om naar Nederland door te reizen. Daarom is eiser op 24 april 2024 Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen. Dat deze grond niet langer actueel is en daarom niet mag worden tegengeworpen volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de minister bij de zware grond 3a kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet.[2] Verder heeft de minister er op zitting op gewezen dat eiser in september 2025 is overgedragen aan Kroatië en vervolgens wederom Nederland is ingereisd zonder hiervoor de benodigde toestemming te hebben. Dat deze wijze van binnenkomst inherent is aan de situatie van een Dublinclaimant maakt dit niet anders.
Ook is zware grond 3b feitelijk juist. Eiser voert aan dat deze grond niet langer actueel is, omdat er inmiddels behoorlijk wat tijd is verstreken tussen de keer dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken op 11 december 2024, en het opleggen van de maatregel op 31 januari 2026. Dit kan eiser niet langer worden tegengeworpen. Dit betoog volgt de rechtbank niet. De minister heeft aan zware grond 3b (ook) ten grondslag heeft gelegd dat eiser – nadat hij op 16 september 2025 was overgedragen aan Kroatië – opnieuw naar Nederland is gereisd. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard op dat moment ongeveer twee maanden in Nederland te verblijven. Nu eiser zich niet direct heeft gemeld bij de korpschef toen hij Nederland binnenkwam, staat vast dat eiser zich (ook recentelijk) enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken.
1.2. Zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000, te kunnen dragen.[3] De feitelijke juistheid van deze gronden, maakt dat het risico op onttrekking kan worden aangenomen.[4] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
  1. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling.
2.1. De rechtbank stelt vast dat eiser dit standpunt niet nader heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich in de maatregel voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Bovendien is er eerder een lichter middel toegepast en is getracht eiser over te dragen naar Kroatië. Eiser is toen met onbekende bestemming vertrokken, waardoor de geplande overdracht is geannuleerd. Deze motivering is door eiser niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
  1. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.[5]

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van het bepaalde in artikel 9 van de Procedurerichtlijn dan wel artikel 21, eerste lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Zie artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, in combinatie met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X). - - - ## Voetnoten
Op grond van het bepaalde in artikel 9 van de Procedurerichtlijn dan wel artikel 21, eerste lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Zie artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, in combinatie met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).