Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:3620 - Rechtbank Den Haag - 23 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:362023 februari 2026

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7343
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en

Procesverloop

De minister heeft op 29 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 oktober 2025.[1] De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 november 2025 beslist op het eerste vervolgberoep[2] en bij uitspraak van 15 december 2025 beslist op het tweede vervolgberoep.[3] In het derde vervolgberoep is op 23 januari 2026 uitspraak gedaan.[4]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 17 februari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.[5]

Overwegingen

  1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 20 januari 2026.
Geen zitting
  1. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de bewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
  1. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, ondanks dat zijn identiteit bekend is. Naast het versturen van rappels heeft de minister geen andere acties ondernomen die zien op eisers uitzetting.
3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 20 en 29 januari 2026 schriftelijk te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer (lp) en het voeren van een vertrekgesprek op 28 januari 2026. Dat eisers identiteit bij de minister bekend is, maakt dit oordeel niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
  1. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke ontbreekt. Op de lp-aanvraag is namelijk nog niet gereageerd, terwijl er al acht keer is gerappelleerd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat op korte termijn wel een lp wordt afgegeven. Eiser is ook nog steeds niet in persoon gepresenteerd.
4.1. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt.[6] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De lp-aanvraag is op 3 oktober 2025 ingediend en de minister heeft voor het laatst op 29 januari 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. De autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd, maar dat betekent niet dat geen lp zal worden verstrekt. Aan de Algerijnse autoriteiten mag ook enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Dat eiser nog niet gepresenteerd is, maakt dit oordeel niet anders.
Heeft de voortduring van de maatregel inmiddels een punitief karakter?
  1. Eiser voert aan dat de voortduring van de maatregel onder deze feiten en omstandigheden enkel een punitief karakter heeft, wat in strijd is met het doel en de strekking van de Terugkeerrichtlijn.
5.1. De bewaringsmaatregel heeft tot doel de verwijdering te effectueren. Op het moment dat duidelijk wordt dat dit niet binnen een redelijke termijn gaat lukken, krijgt de voortduring van de bewaringsmaatregel een punitief en dus onrechtmatig karakter. Nu onder 4.1 is overwogen dat zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn bestaat, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de voortduring van de maatregel op dit moment een punitief karakter heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de voortduring van de maatregel onevenredig bezwarend?
  1. Eiser voert aan dat de voortduring van de maatregel onevenredig hard is voor eiser in verhouding tot de mogelijkheden voor gedwongen uitzetting en de duur van de maatregel.
6.1. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring niet onrechtmatig voortduurt. Volgens het beleid van de minister is hij na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken.[7] Eiser verblijft sinds 29 september 2025 in bewaring. In beginsel komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangedragen die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
  1. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.[8]

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19178.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21968.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem. 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24113.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 23 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1066.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X). - - - ## Voetnoten
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19178.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21968.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem. 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24113.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 23 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1066.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).