Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:3217 - Rechtbank Den Haag - 18 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:321718 februari 2026

Uitspraak inhoud

Locatie Den Haag
PV/c
Zaaknr.: 12042889 RL EXPL 26-208
18 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv in de zaak van:
Nobleo Bouw & Infra B.V., gevestigd te Eindhoven,eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Nobleo,gemachtigde: mr. S. Wouters,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],gemachtigde: mr. S.J.M. Masselink.

1 Procedure

1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van: - de dagvaarding van 16 januari 2026 met producties 1 tot en met 12; - de e-mailbrief van [gedaagde] van 2 februari 2026; - de e-mailbrief van Nobleo van 2 februari 2026 met producties 13 tot en met 17; - de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 4 februari 2026 en de tijdens die zitting namens [gedaagde] overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.

2 Feiten

2.1. [gedaagde], geboren op [geboortedatum] 1998, is op 1 september 2024 vlak na zijn afstuderen voor onbepaalde tijd bij Nobleo in dienst getreden als Junior Constructeur. Nobleo is een ingenieursbureau dat zich binnen infrastructurele en bouwprojecten onder meer bezighoudt met ontwerpleiding en wegontwerp.
2.2. Nobleo verricht(te) werkzaamheden op het project [projectnaam] (hierna: het Project).
2.3. Nobleo en [gedaagde] zijn in de arbeidsovereenkomst de volgende bedingen overeengekomen: een relatie - en non-concurrentiebeding (artikel 13), een nevenwerkzaamhedenbeding (artikel 14), een geheimhoudingsbeding (artikel 16) en een boetebeding (artikel 17). Het relatie - en non-concurrentiebeding en het boetebeding luiden, voor zover relevant, als volgt:
Artikel 13. Relatie - en non-concurrentiebeding
Het is medewerker verboden om, behoudens schriftelijke toestemming van NOBLEO, gedurende 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, ongeacht op welke wijze de arbeidsovereenkomst is geëindigd:
(…)
13.2. activiteiten te verrichten ten behoeve van, of het op enigerlei wijze betrokken zijn bij projecten waar NOBLEO, of een aan NOBLEO gelieerde onderneming werkzaamheden voor (heeft) verricht of betrokken bij is (geweest) of waar zij contact mee onderhoudt in het kader van een aanbestedings - of offertetraject.
Artikel 17. Boetebeding
(…)
17.2. Bij overtreding of niet-nakoming door medewerker van één of meer van de in de artikelen 13 (…) genoemde verplichtingen, verbeurt medewerker ten gunste van NOBLEO, zonder dat aanmaning, ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist, een onmiddellijk opeisbare boete van 15.000, - alsmede een aanvullende boete van 2.500, - voor iedere dag dat de overtreding na mededeling van de ontdekking daarvan door NOBLEO voortduurt, een gedeelte van een dag daaronder begrepen. (…)"
2.4. [gedaagde] heeft op 22 oktober 2025 zijn arbeidsovereenkomst met Nobleo opgezegd per 1 december 2025.
2.5. [gedaagde] is op 1 december 2025 bij 4People in dienst getreden in de functie van Junior Constructeur. 4People heeft hem vervolgens gedetacheerd bij bouwbedrijf Besix, waar hij is ingezet op het Project.

3 Geschil

3.1. Nobleo vordert, bij wijze van voorlopige voorziening, om [gedaagde] te veroordelen (verkort weergegeven):
  1. om (i) de werkzaamheden voor het Project dan wel enig ander project waarbij Nobleo is betrokken onmiddellijk, althans op een in goede justitie te bepalen termijn, te beëindigen en beëindigd te houden voor de duur van het concurrentiebeding, (ii) voor de duur van het concurrentiebeding ook geen andere activiteiten te verrichten ten behoeve van, of op enigerlei wijze betrokken te zijn bij projecten waar Nobleo werkzaamheden voor (heeft) verricht of betrokken bij is (geweest) of waar zij contact mee onderhoudt in het kader van een aanbestedings - of offertetraject en (iii) in het algemeen, artikelen 13, 14 en 16 van de arbeidsovereenkomst onverkort na te leven, op straffe van een dwangsom;
  1. tot betaling van de overeengekomen boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
  1. in de kosten van het geding.
3.2. Nobleo legt aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Nobleo heeft een gerechtvaardigd belang bij handhaving van het concurrentiebeding, omdat hiermee de projecten worden beschermd die zij in (onder)aanneming heeft verworven. Nobleo verdient haar omzet op deze projecten. Wanneer op een project een medewerker via een ander bedrijf wordt ingezet, kan Nobleo die positie niet meer zelf invullen en loopt zij omzet mis die zij anders uit de inzet van haar eigen personeel zou hebben gegenereerd. Deze situatie heeft zich voorgedaan in het geval van [gedaagde]. Besix had Nobleo gevraagd om voor het Project een Junior Constructeur te leveren. Nobleo kon hieraan echter niet voldoen, omdat [gedaagde] inmiddels uit dienst was en (via 4People) voor Besix werkte. Indien [gedaagde] nog wel voor Nobleo beschikbaar was geweest, had Nobleo hem op dit project kunnen inzetten en daaruit omzet kunnen realiseren. Volgens Nobleo wordt zij hierdoor geraakt in haar bedrijfsdebiet. Het concurrentiebeding staat [gedaagde] niet in de weg om zijn dienstverband bij 4People voort te zetten, maar wel om werkzaamheden te verrichten op projecten van Nobleo.
3.3. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Nobleo in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Nobleo in de proceskosten, eventueel te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de explootkosten van betekening van de uitspraak en de overige als gevolg van de executie gemaakte kosten. Voorwaardelijk – de kantonrechter begrijpt voor het geval (een van) de eerste twee subvorderingen van de vordering onder 1 van Nobleo (gedeeltelijk) worden toegewezen – vordert [gedaagde] op zijn beurt om (verkort weergegeven) schorsing van het concurrentiebeding en veroordeling van Nobleo in de proceskosten, eventueel te vermeerderen met de wettelijke rente. Op de stellingen van [gedaagde] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Beoordeling

De vraag is of in een bodemprocedure de vordering zal worden toegewezen
4.1. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat in hoge mate waarschijnlijk is dat de vordering ook in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Beoordeeld moet daarom of de vordering van Nobleo in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om de vordering nu al toe te wijzen.
Nobleo heeft een spoedeisend belang
4.2. De vordering kan alleen worden toegewezen als Nobleo daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is wat betreft de vordering onder 1 het geval. Nobleo wil voorkomen dat [gedaagde] werkzaam is op een project waarop Nobleo zelf (mede) actief is (geweest). Voor het Project is die situatie echter al aan de orde. Nobleo heeft er daarom belang bij dat zo snel mogelijk een einde komt aan deze situatie, zoals beoogd met de eerste subvordering. Daarnaast heeft Nobleo er belang bij om op korte termijn duidelijkheid te krijgen over de rechtsgeldigheid van het concurrentiebeding en de vraag of zij [gedaagde] daaraan kan houden. De tweede subvordering strekt daartoe. De derde subvordering wordt beschouwd als een nauw verwante nevenvordering, waarvoor eveneens een spoedeisend belang wordt aangenomen. Hetzelfde geldt voor de contractuele boete die wordt gevorderd wegens schending van het concurrentiebeding.[1]
Het concurrentiebeding is rechtsgeldig
4.3. Een beding in een arbeidsovereenkomst dat de werknemer beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst op bepaalde wijze werkzaam te zijn, is slechts geldig als (i) de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en het beding (ii) schriftelijk is overeengekomen (iii) met een meerderjarige werknemer.[2] Aan deze vereisten is in dit geval voldaan. Het concurrentiebeding is daarom rechtsgeldig tussen partijen tot stand gekomen.
Het concurrentiebeding is overtreden, maar de vraag is of Nobleo naleving kan verlangen
4.4. Het standpunt van [gedaagde] dat het concurrentiebeding niet wordt geschonden omdat 4People en Nobleo geen concurrenten zouden zijn, wordt niet gevolgd. Het beding verbiedt [gedaagde] om gedurende twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst werkzaam of betrokken te zijn bij projecten waar Nobleo of een aan haar gelieerde onderneming werkzaam of betrokken is (geweest), dan wel bij projecten waarmee Nobleo in het kader van een aanbestedings - of offertetraject contact onderhoudt. Het concurrentiebeding bevat dus niet als vereiste dat sprake is van concurrentie tussen de betrokken partijen, maar legt beperkingen op ten aanzien van de betrokkenheid bij specifieke projecten. Vastgesteld wordt dat [gedaagde], door via 4People werkzaamheden te verrichten op het Project voor Besix, het concurrentiebeding heeft overtreden. Nobleo is immers ook werkzaam (geweest) op dit project.
4.5. De vraag is echter of Nobleo aanspraak kan maken op onverkorte nakoming van het concurrentiebeding, zoals zij met de eerste twee subvorderingen nastreeft. Voor de beantwoording daarvan moet worden beoordeeld of [gedaagde] door het beding, in verhouding tot het te beschermen belang van Nobleo, onbillijk wordt benadeeld. De wet bepaalt namelijk dat een concurrentiebeding in dat geval geheel of gedeeltelijk kan worden vernietigd.[3] Vooruitlopend daarop kan in kort geding een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk worden geschorst, zoals [gedaagde] voorwaardelijk vordert.
Het gaat daarbij om een belangenafweging
4.6. Een concurrentiebeding is bedoeld om het bedrijfsdebiet van de werkgever – de opgebouwde knowhow en goodwill – te beschermen. Het is niet bedoeld om werknemers te binden. Het enkele feit dat een werknemer in de uitoefening van zijn functie kennis en ervaring heeft opgedaan, betekent nog niet dat de werkgever bij het vertrek van die werknemer (naar een concurrent) in zijn bedrijfsdebiet is aangetast. Dat een werknemer bij zijn vertrek kennis en ervaring die is opgedaan bij zijn werkgever 'meeneemt' is inherent aan zijn vertrek. Dat de nieuwe werkgever profijt heeft van de kennis en ervaring van de werknemer is inherent aan het in dienst nemen van de werknemer.
4.7. Het concurrentiebeding biedt geen bescherming tegen het vertrek van een werknemer en tegen de indiensttreding van die werknemer bij een concurrent van de oude werkgever, maar alleen tegen de aantasting van het bedrijfsdebiet door zo'n overstap. Van zo'n aantasting zal bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de betrokken werknemer door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante commerciële en technische informatie of van unieke werkprocessen en strategieën en hij deze kennis ten behoeve van zijn nieuwe werkgever kan gebruiken, waardoor de nieuwe werkgever in de concurrentieslag met de oude werkgever in het voordeel is, of bijvoorbeeld doordat de werknemer zo intensief samenwerkt met bepaalde klanten van de oude werkgever dat deze klanten overstappen naar diens nieuwe werkgever.
4.8. Een concurrentiebeding beperkt een werknemer in het grondrecht van vrije arbeidskeuze. Een dergelijke beperking is slechts gerechtvaardigd als daar een groot belang van de werkgever tegenover staat. Er dient een belangenafweging te worden gemaakt waarbij rekening moet worden gehouden met de gevolgen van het beding voor de werknemer heeft en de belangen van de werkgever die het beding beoogt te beschermen.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van [gedaagde]
4.9. Nobleo doet in het kader van de belangenafweging een beroep op de bescherming van haar bedrijfsdebiet. Volgens Nobleo is het concurrentiebeding bedoeld om de projecten waarop zij actief is of is geweest, te beschermen, vooral in termen van de mogelijkheid om omzet te genereren.
4.10. Het concurrentiebeding is erg breed geformuleerd. Anders dan [gedaagde] stelt, is het op grond van het beding niet zonder meer verboden om te werken aan of betrokken te zijn bij projecten waarvoor Nobleo ooit een offerte heeft uitgebracht. Door de ruime formulering is het [gedaagde] echter niet toegestaan om activiteiten te verrichten voor of betrokken te zijn bij projecten waar Nobleo zelf aan werkt, zelfs niet als Nobleo (in de toekomst) zelf een Junior Constructeur inzet op het project en daaruit omzet genereert, of bij projecten waar Nobleo ooit bij betrokken was, zelfs als Nobleo niet langer actief is op of voor het project. Hiermee wordt [gedaagde] verder beperkt dan nodig is voor het voorgenomen doel van het concurrentiebeding, namelijk het voorkomen van het mislopen van omzet voor Nobleo. Dit leidt in dit geval tot een onbillijke benadeling voor [gedaagde].
4.11. Het kan zijn dat het vertrek van een werknemer die toegang had tot gevoelige informatie of een bepaalde klantbinding had, leidt tot klantverlies en daarmee omzetverlies. Los van het feit dat niet is gebleken dat [gedaagde] over unieke kennis beschikte die niet ook door andere werknemers of nieuw afgestudeerden kan worden verworven, dat zijn ervaring bij Nobleo onderscheidend was ten opzichte van de ervaring van net afgestudeerde werknemers bij andere infrabedrijven, of dat hij bepaalde klanten van Nobleo aan zich heeft gebonden, is het uitsluitend willen behouden van [gedaagde] door Nobleo om omzetverlies te voorkomen geen afdoende belang. Dit geldt temeer wanneer dit belang wordt afgewogen tegen de persoonlijke belangen van [gedaagde] waar het gaat om ontwikkeling en loopbaanambities, zoals zijn verlangen naar meer diversiteit in de werkzaamheden, betere begeleiding en een salarisverhoging, die hij naar eigen zeggen in zijn nieuwe functie bij 4People wel vindt. Hierbij komt dat Nobleo geen concrete onderbouwing heeft gegeven van haar stelling dat de overstap [gedaagde] en zijn inzet op het Project daadwerkelijk tot het mislopen van omzet heeft geleid. Ook heeft zij geen inzicht gegeven in de economische schade die zij in de komende twaalf maanden verwacht te lijden voor zijn vertrek. Daarom kan niet worden vastgesteld of en in welke mate het vertrek van [gedaagde] de mogelijkheden van Nobleo om omzet te genereren daadwerkelijk heeft beperkt.
4.12. De voorlopige conclusie is dan ook dat [gedaagde] door het concurrentiebeding in zijn recht op vrije arbeidskeuze onbillijk wordt beperkt in verhouding tot het te beschermen belang van Nobleo. Met een hoge mate van waarschijnlijkheid is te verwachten dat in een eventuele bodemprocedure de rechter tot eenzelfde oordeel komt en het concurrentiebeding geen stand houdt. De eerste twee subvorderingen van de vordering onder 1 van Nobleo kunnen daarom, als in strijd daarmee, niet worden toegewezen. Vooruitlopend op het verwachte oordeel van de bodemrechter is [gedaagde] wegens werkzaamheden in strijd met dat beding ook geen boetes verschuldigd. De daarop gerichte vordering kan daarom evenmin worden toegewezen.
4.13. Nobleo heeft niet gesteld dat [gedaagde] het relatie-, nevenwerkzaamheden - of geheimhoudingsbeding heeft overtreden, laat staan feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te kunnen nemen dat [gedaagde] deze bedingen heeft overtreden. Daarom is niet te verwachten dat [gedaagde] in een bodemprocedure zal worden veroordeeld tot onverkorte naleving van deze bedingen. De derde subvordering van de vordering onder 1 is daarom eveneens niet toewijsbaar.
4.14. Nobleo is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 1.009, - (€ 865, - aan salaris gemachtigde en € 144, - aan nakosten). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De explootkosten van betekening maken deel uit van de nakosten. Deze kosten worden voorwaardelijk toegekend, namelijk voor het geval Nobleo niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis voldoet en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt. Het systeem van de wet verzet zich tegen toewijzing van de door [gedaagde] gevraagde overige als gevolg van de executie gemaakte kosten.
4.15. Aangezien de vordering onder 1 van Nobleo wordt afgewezen, is de voorwaarde waaronder [gedaagde] zijn vordering heeft ingesteld niet vervuld. Aan de beoordeling daarvan wordt daarom niet toegekomen. De proceskosten worden gecompenseerd.

5 Beslissing

De kantonrechter, bij wege van voorlopig voorziening,
in conventie
5.1. wijst de vorderingen af;
5.2. veroordeelt Nobleo in de proceskosten van € 1.009,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als Nobleo niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, zij ook de kosten van betekening moet betalen;
5.3. veroordeelt Nobleo in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
5.5. stelt vast dat de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan en verstaat dat de vordering geen verdere behandeling behoeft;
5.6. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. E.A.W. Schippers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2026.
Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522.
Artikel 7:653 lid 1 BW.
Artikel 7:653 lid 3 sub b BW. - - - ## Voetnoten
Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522.
Artikel 7:653 lid 1 BW.
Artikel 7:653 lid 3 sub b BW.