Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:3087 - Rechtbank Den Haag - 5 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:30875 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23040

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. van der Gouw).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een terugkeervisum.
1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verblijft sinds 2013 in Nederland en heeft verschillende verblijfsaanvragen gedaan. In 2023 is aan hem een terugkeervisum verleend. In juni 2024 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan voor een terugkeervisum.
2.1. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat aan eiser op 1 juli 2013 een terugkeerbesluit en een inreisverbod is opgelegd.[1] Dat aan eiser eerder wel een terugkeervisum is afgegeven, berust op een ambtelijke misslag. Bovendien zijn eisers verzoeken om (tijdelijke) opheffing van het inreisverbod op 27 maart 2025 afgewezen.
2.2. Verweerder heeft twee andere aanvragen van eiser ook afgewezen. De rechtbank heeft de beroepen tegen de afwijzingen van die aanvragen op dezelfde zitting behandeld onder de zaaknummers NL25.15012 en NL25.32307.
Wat vindt eiser in beroep?
  1. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – twee gronden aan. Ten eerste is wat betreft de eerdere toewijzing van een terugkeervisum geen sprake van een ambtelijke misslag. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met eisers belangen en de reden voor zijn verzoek om een terugkeervisum. Eiser wil namelijk zijn zieke moeder in Marokko bezoeken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
  1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder geeft de rechtbank aan hoe tot dit oordeel is gekomen.
  1. Verweerder kan een terugkeervisum weigeren indien een vreemdeling als een gevaar voor de openbare orde wordt beschouwd.[2] Een vreemdeling wordt als zodanig beschouwd als hij met het oog op weigering van toegang en verblijf of inzake terugkeer in combinatie met een inreisverbod in het SIS gesignaleerd staat.[3]
5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden eisers aanvraag voor een terugkeervisum heeft geweigerd, omdat er sprake is van een geldig terugkeerbesluit en inreisverbod. Hierbij is van belang dat de toewijzing van een terugkeervisum uit 2023 een ambtelijke misslag betreft, nu dit terugkeervisum gelet op het geldige terugkeerbesluit en inreisverbod toen ook niet toegewezen had moeten worden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit vaste jurisprudentie[4] volgt dat eiser hieraan geen rechten kan ontlenen. Verder volgt de rechtbank de gemachtigde van eiser niet in de tijdens de zitting ingenomen stelling dat het terugkeerbesluit zijn werking heeft gehad toen eiser op grond van het eerder afgegeven terugkeerbesluit het land uit is gegaan. Ook het door eiser aangevoerde dat geen sprake is van een ambtelijke misslag omdat een terugkeervisum niet zomaar wordt afgegeven, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ten slotte overweegt de rechtbank dat er gelet op het geldige terugkeerbesluit en inreisverbod geen ruimte bestaat voor een individuele belangenafweging.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 2x, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met paragraaf A1/3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
Op grond van artikel 2x, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van paragraaf A1/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2058, r.o. 6.1. - - - ## Voetnoten
Op grond van artikel 2x, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met paragraaf A1/3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
Op grond van artikel 2x, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van paragraaf A1/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2058, r.o. 6.1.