Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:3002 - Rechtbank Den Haag - 13 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:300213 februari 2026

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: 24/9521

Procesverloop

Bij uitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank heeft het verzet op 5 februari 2026 op een zitting behandeld. Opposant is verschenen.

Overwegingen

De rechtbank heeft in de beroepzaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
In verzet kan alleen worden beoordeeld of de bestuursrechter in de buitenzitting-uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
De bestuursrechter heeft in de buitenzitting-uitspraak overwogen dat door opposant niet is onderbouwd welk wettelijk voorschrift zou zijn overtreden, dat het gebrek ten tijde van het bestreden besluit reeds was hersteld, dat de kans op recidive onvoldoende is onderbouwd en het college daarom niet preventief hoefde te handhaven. Het door opposant ingediende beroep is daarom ongegrond verklaard.
Opposant heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat de toegangsdeur wederom een aantal malen defect is geraakt, dat de hersteltijd nog steeds te lang is en de ondeugdelijke constructie nog niet is aangepakt.
De rechtbank ziet in hetgeen opposant heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de bestuursrechter in de buiten-zittinguitspraak heeft gedaan. Opposant heeft nog steeds niet onderbouwd welk wettelijk voorschrift zou zijn overtreden. Ter zitting heeft hij slechts in algemene zin verwezen naar het Bouwbesluit Leefomgeving (BBL) en de Nen-norm 9120. Noch in het BBL, noch in de Nen-norm is zonder nadere aanduiding te achterhalen welk wettelijk voorschrift zou zijn overtreden.
Opposant heeft ter zitting aangevoerd dat het college toezichthouder is met betrekking tot (de toegankelijkheid van) alle gebouwen in de gemeente en om die reden handhavend zou moeten optreden tegen partijen die zich niet aan regels – in dit geval de toegankelijkheid van een gebouw – houden. Hij heeft voorts meegedeeld dat de deurdranger – waarschijnlijk door vandalisme - nog weleens kapot is gegaan, dat de deurdranger thans niet kapot is en dat een defect sneller dan voorheen wordt gerepareerd.
Wat er van die verantwoordelijkheid zij, opposant heeft niet onderbouwd dat de kans op recidive zodanig groot is dat, hoewel de deurdranger thans niet defect is, het college toch preventief handhavend zou moeten optreden omdat een overtreding dreigt.
Het verzet is daarom ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 8 mei 2025 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen beroep of verzet open.