Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:29 - Rechtbank Den Haag - 2 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:292 januari 2026Deze uitspraak wordt in 1 latere zaken aangehaald

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62747
geboren op [geboortedatum] 1972, Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
(gemachtigde: S.H.F. Pols).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 20 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel en verzocht om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Badouri. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en verblijft thans 42 jaar in Nederland. Bij besluit van 28 mei 2014 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken, een terugkeerbesluit vastgesteld en een inreisverbod met een duur van 10 jaar uitgevaardigd. Bij besluit van 15 augustus 2018 heeft verweerder het inreisverbod met een duur van 10 jaar ingetrokken en een inreisverbod met een duur van 2 jaar uitgevaardigd.
  1. Op 22 oktober 2024 heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit vastgesteld en daarin Marokko als land van terugkeer benoemd. Eiser is op 22 oktober 2024 in bewaring gesteld om de terugkeer naar Marokko te verzekeren. Verweerder heeft deze maatregel op 11 april 2025 uit eigen beweging na een belangenafweging te hebben verricht opgeheven.
  1. De Marokkaanse autoriteiten hebben, na opheffing van deze voorgaande maatregel, een LP verstrekt ten behoeve de van de terugkeer van eiser in een gedwongen kader. De rechtbank heeft verweerder ter zitting verzocht om deze LP toe te voegen aan het dossier omdat de rechtbank kennis wil nemen van de geldigheidsduur van de LP. Verweerder heeft aangegeven dat deze LP niet aan het dossier mag worden toegevoegd zonder toestemming van DT&V en dat een mogelijke toestemming afhankelijk is van de beperkingen die de LP-verstrekkende autoriteiten hiervoor hanteren. De rechtbank heeft verweerder daarop verzocht voor te lezen wat er in de LP staat vermeld over de termijn waarbinnen de terugkeer met deze LP kan worden geëffectueerd. Verweerder heeft aangegeven dat op de LP is vermeld dat deze een geldigheidsduur van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 heeft.
  1. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser in de periode van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 niet heeft verwijderd.
  1. Eiser is op 20 december 2025 na een strafrechtelijke aanhouding terzake artikel 447e Sr door de Avim overgenomen en aansluitend in bewaring gesteld. In de maatregel is onder meer vermeld dat eiser is ingeschreven in de BRP en is vermeld op welk adres dit is.
  1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft in de maatregel als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  1. Eiser voert aan dat uit de toelichting bij zware grond 3a niet volgt dat deze grond feitelijk op hem van toepassing is. De grond is onvoldoende gemotiveerd. Bovendien heeft eiser direct voorafgaand aan zijn illegale verblijf in Nederland, rechtmatig verblijf gehad. Over zware grond 3b voert eiser aan dat deze grond ten onrechte is tegengeworpen nu nergens uit blijkt dat aan hem een meldplicht opgelegd is na afloop van zijn vorige bewaring. Eiser was er niet van op de hoogte dat hij zich na zijn vrijlating weer ergens moest melden en zijn adres is bovendien bekend in de systemen van de politie. Over lichte grond 4d voert eiser aan dat een nadere toelichting waarom deze grond tot een onttrekkingsrisico leidt, ontbreekt. Eiser heeft geen recente antecedenten en hij heeft een woning waar hij verblijft en vindbaar is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken vanwege het ontbreken van middelen. Eiser voert voorts aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft een vast woonadres, hij huurt een woning van de woningbouwvereniging en staat ingeschreven in het BRP. Zijn netwerk ondersteunt hem financieel zodat hij zijn lasten kan betalen. Eiser heeft ook niet aangegeven dat hij niet zal meewerken aan zijn uitzetting. Daarbij heeft hij geen recente antecedenten en heeft hij nog geen jaar geleden zes maanden in vreemdelingenbewaring gezeten. De LP die verweerder eerder heeft aangevraagd is afgegeven in mei 2025 en is inmiddels verlopen. Eiser meent dat verweerder hem had moeten opzoeken op het moment dat er een LP was en hij niet nu opnieuw in vreemdelingenbewaring geplaatst moest worden waardoor hij opnieuw een LP-traject moet afwachten. Nergens blijkt uit dat eiser zich in de tussentijd aan het toezicht zal onttrekken of dat hij niet bereid is zich aan een meldplicht te houden.
  1. De rechtbank overweegt dat verweerder in de zogenoemde aanbiedingsbrief heeft vermeld dat de DIA op 23 december 2025 is gevraagd om in contact te treden met de Marokkaanse autoriteiten omtrent de afgifte van een nieuwe LP. Tevens is vermeld dat op 24 december 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden en dat op 29 december 2025, zoals afgesproken de 'verlopen LP' naar het Marokkaanse consulaat in Amsterdam wordt gebracht.
  1. De rechtbank zal de maatregel opheffen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.
  1. Eiser is 42 jaar geleden, als 11-jarig kind samen met zijn ouders, zonder geldig identiteitsdocument en document voor grensoverschrijding, Spanje ingereisd en aansluitend naar Nederland gekomen. Eiser heeft na deze inreis, net als zijn ouders, een verblijfsvergunning verkregen en op grond daarvan geruime tijd rechtmatig verblijf in Nederland gehad. De verblijfsvergunning is op 28 mei 2014 ingetrokken vanwege meerdere veroordelingen voor strafbare feiten. De grondslag voor de thans te toetsen maatregel is het aanvullende terugkeerbesluit dat is vastgesteld op 22 oktober 2024.
  1. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom de voorgaande - recente - bewaringsmaatregel na een duur van 5,5 maand is opgeheven en waarom verweerder uit eigen beweging destijds de belangenafweging in het voordeel van eiser heeft laten uitvallen. Verweerder heeft daarop aangegeven dat bij deze belangenafweging is betrokken dat eiser zijn terugkeer naar Marokko niet zelf kon bespoedigen en dat er nog geen LP was verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten.
  1. De rechtbank heeft verweerder vervolgens ter zitting gevraagd waarom eiser niet is verwijderd na ontvangst van de LP. Verweerder heeft eiser namelijk niet verwijderd, terwijl hiervoor in de periode van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 uitsluitend een vliegticket hoefde te worden aangeschaft. De rechtbank acht dit opmerkelijk omdat de terugkeerverplichting reeds op 28 mei 2014 is vastgesteld en eiser dus langdurig illegaal in Nederland verblijft. Eiser is bovendien een 'strafrechtklant met een stevig strafblad' en verweerder stelt zich doorgaans in bewaringsprocedures van 'strafrechtklanten' waarin de rechtbank een belangenafweging moet verrichten op het standpunt dat deze in het voordeel van verweerder moet uitvallen vanwege de justitiële documentatie. Eiser is bovendien ingeschreven in de BRP en het adres waar eiser verblijft is bekend bij verweerder. Uit het dossier blijken geen indicaties dat eiser niet zou wonen en verblijven op dit adres en verweerder heeft dit ook niet in de maatregel vermeld. Het is dus niet zo dat eiser 'met onbekende bestemming' was vertrokken en de uitvoering van het terugkeerbesluit met gebruikmaking van de LP niet kon plaatsvinden omdat eiser niet beschikbaar was voor terugkeer.
  1. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder weliswaar bevoegd was om eiser te verwijderen, maar dat dit geen verplichting is en dat het niet verwijderen toen hij in het bezit van een LP was geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de thans te toetsen maatregel. De rechtbank is het hier niet mee eens.
  1. Eiser heeft niet voldaan aan zijn terugkeerverplichting en is ook niet voornemens dat op enig moment uit eigen beweging wel te gaan doen. Eiser heeft dit ter zitting op vragen van de rechtbank bevestigd. Eiser heeft daarbij ook op vragen van de rechtbank verklaard geen inspanningen te zullen leveren om zijn verblijf te regulariseren, maar "te berusten in zijn illegale verblijf en rustig af te wachten". De rechtbank heeft eiser gewezen op zijn terugkeerverplichting, maar overweegt dat de houding van eiser zich wellicht ook laat verklaren doordat eiser heeft ervaren dat hij, nadat zijn verblijfsrecht vanwege strafrechtelijke veroordelingen is ingetrokken, inmiddels ten tijde van de onderhavige uitspraak 12 jaar zijn illegale verblijf in Nederland heeft kunnen voorzetten. Eiser heeft dus een terugkeerverplichting maar doordat eiser niet hier niet uit eigen beweging aan voldoet, is verweerder verplicht om eiser te verwijderen. Dit volgt uit richtlijn 2008/115 en het loyaliteitsbeginsel. De rechtbank wijst in dit verband op de navolgende overwegingen in het arrest van het Hof van 14 januari 2021 in de zaak TQ (arrest van het Hof van 14 januari 2021 in de zaak TQ tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9).
(…)
79 Volgens de rechtspraak van het Hof verplicht artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 de lidstaten ertoe om, wanneer een terugkeerbesluit is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land maar deze niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan, ongeacht of dat het geval is binnen de voor vrijwillig vertrek toegestane termijn dan wel of geen termijn daarvoor is toegekend, teneinde de doeltreffendheid van de terugkeerprocedures te verzekeren, de nodige maatregelen te nemen voor de verwijdering van de betrokkene, namelijk diens fysieke verwijdering uit die lidstaat volgens artikel 3, punt 5, van die richtlijn (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 33).
80 Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten, zoals volgt uit zowel hun loyaliteitsplicht als de vereisten van doeltreffendheid die met name in overweging 4 van richtlijn 2008/115 in herinnering worden gebracht, zo spoedig mogelijk moeten voldoen aan de hun bij artikel 8 van die richtlijn opgelegde verplichting om bedoelde onderdaan in de in lid 1 van dat artikel genoemde gevallen te verwijderen (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 34).
(…)
  1. De rechtbank overweegt dat verweerder - in strijd met bovenstaande verplichting - geen enkele inspanning heeft geleverd om eiser in de periode van 8 mei 2025 tot 7 juli 2025 te verwijderen. Verweerder heeft hier geen verklaring voor gegeven. De rechtbank overweegt dat uit deze handelwijze van verweerder blijkt dat verweerder kennelijk niet een groot belang toekent aan de verwijdering van eiser. Verweerder heeft na het verlopen van de geldigheid van de LP ook niet aanstonds aan de Marokkaanse autoriteiten verzocht om afgifte van een nieuwe LP en verweerder heeft ook geen andere inspanningen geleverd om de terugkeer van eiser te bewerkstelligen. Verweerder heeft weliswaar terecht aangegeven dat op eiser nog steeds een terugkeerverplichting rust. Dit betekent evenwel niet dat verweerder een afwachtende houding kan aannemen en de voorbereiding van de terugkeer pas weer ter hand hoeft te nemen als eiser vanuit de strafrechtketen wordt overgedragen. De verplichting die verweerder uit hoofde van richtlijn 2008/115 heeft is immers niet afhankelijk van het moment waarop eiser 'toevallig' weer in beeld komt. De rechtbank wijst er in dit verband uitdrukkelijk op dat eiser een vaste en geregistreerde woonplaats heeft en verweerder bij de voorgaande maatregel en de opheffing daarvan van de precieze adresgegevens van eiser op de hoogte was. Verweerder heeft na opheffing van de eerdere maatregel ook geen initiatief genomen om de aanwezigheid van eiser op dit adres te controleren of om eiser een meldplicht op te leggen en zo te verzekeren dat eiser beschikbaar zou zijn voor terugkeer zodra een LP zou worden verkregen en het gestelde onttrekkingsrisico zou kunnen worden voorkomen. Dit alles blijkt namelijk niet uit het dossier en verweerder weet dat de rechtbank de rechtmatigheidscontrole van de maatregel verricht op grond van de maatregel, de overige stukken in het dossier en hetgeen partijen ter zitting, al dan niet op vragen van de rechtbank, naar voren brengen.
  1. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser na opheffing van de voorgaande maatregel zijn illegale verblijf had moeten melden en zelf om oplegging van een meldplicht had moeten vragen en ook nog bewijs had moeten aandragen om te laten zien dat hij op het adres verblijft dat in het BRP is geregistreerd en dat omdat hij dit allemaal niet heeft gedaan, de maatregel terecht is opgelegd.
  1. De rechtbank overweegt dat eiser inderdaad een terugkeerverplichting heeft, zelf moet terugkeren en zolang hij dat niet doet zich niet behoort te onttrekken aan het toezicht. Tegelijkertijd kan verweerder niet door te wijzen op deze verplichtingen van eiser rechtvaardigen dat hij zelf geen inspanningen heeft geleverd om het terugkeerbesluit uit te voeren. Dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn illegale verblijf is feitelijk juist, maar doet niets af aan de verplichtingen van verweerder. Verweerder wéét namelijk dat eiser illegaal in Nederland verblijft want verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser op 28 mei 2014 ingetrokken en geen nieuwe verblijfsvergunning verleend. Dat verweerder de maatregel heeft opgeheven betekent niet dat eiser niet langer onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt. Verweerder had ook uit eigen beweging een meldplicht kunnen opleggen als verweerder daadwerkelijk een onttrekkingsrisico aanneemt en/of verweerder niet overtuigd zou zijn dat eiser verblijft op het adres dat als woonadres in de BRP is geregistreerd. In bewaringsprocedures kent verweerder bij het aannemen van een onttrekkingsrisico doorgaans groot gewicht toe aan de omstandigheid dat een vreemdeling géén vaste woon - of verblijfplaats zou hebben en verweerder verwijst in dit verband steevast op jurisprudentie waarin is geoordeeld dat alleen een BRP-inschrijving volstaat om een vaste woon - of verblijfplaats aan te nemen. Daargelaten dat de rechtbank deze jurisprudentie niet in alle procedures onverkort van toepassing acht, kan het niet zo zijn dat indien een vreemdeling, zoals eiser, wél staat ingeschreven in de BRP, deze inschrijving niet als bewijs van een vaste woon - of verblijfsplaats wordt aangemerkt of dat er aanvullende eisen worden gesteld om aannemelijk te maken dat dit geen 'papieren inschrijving' is. De rechtbank merkt op dat het niet tegenwerpen van een lichte grond in dit verband, niet betekent dat verweerder aan een BRP-inschrijving verder voorbij kan gaan bij het beoordelen of wederom, na een recente opheffing, een bewaringsmaatregel moet worden opgelegd.
  1. Dat verweerder in gebreke is met zijn Unierechtelijk verplichting om het terugkeerbesluit uit te voeren, terwijl dit door de verkrijging van een LP met een geldigheidsduur van twee maanden en de vaste en geregistreerde woonplaats van eiser eenvoudig had gekund, betekent niet dat dit absoluut in de weg staat aan een hernieuwde inbewaringstelling. Het betekent wel dat verweerder zeer goed moet motiveren waarom hij, na het eenvoudigweg niet gebruiken van een door verweerder gedurende een eerdere inbewaringstelling verzochte en na de opheffing daarvan verkregen LP, op dit moment is overgegaan tot oplegging van de maatregel. Verweerder is hierin niet geslaagd.
  1. Verweerder heeft na de opheffing van de voorgaande maatregel geen inspanningen geleverd om het terugkeerbesluit uit te voeren. Verweerder heeft zijn vertrekhandelingen beperkt tot het in ontvangst nemen van de reeds aangevraagde LP. Pas nadat eiser strafrechtelijk is aangehouden en verweerder hierover wordt geïnformeerd, wordt beslist dat eiser in bewaring moet worden gesteld om de terugkeerprocedure weer te hervatten. De vraag die dan onvermijdelijk opkomt, is de vraag of het dan noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om eiser daarvoor in bewaring te stellen.
  1. De eerdere maatregel is opgeheven op grond van een belangenafweging waarin de doorslag heeft gegeven dat eiser zelf niet de bespoediging van de terugkeer kon bewerkstelligen, aldus verweerder ter zitting. In de maatregel is hierover niets te vinden en ontbreekt ook een motivering waarom het noodzakelijk is om eiser in bewaring te stellen. De rechtbank kan op grond van de maatregel, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen of verweerder meent dat eiser nu wel zijn terugkeer kan bespoedigen. Verweerder heeft eiser op 20 december 2025 in bewaring gesteld en blijkens de aanbiedingsbrief op 23 december 2025 de DIA gevraagd om in contact te treden met de Marokkaanse autoriteiten omtrent de afgifte van een nieuwe LP en op 29 december 2025 de verlopen LP naar het Marokkaanse consulaat in Amsterdam gebracht. In de maatregel ontbreekt elke motivering waarom eiser in bewaring moet worden gesteld en gehouden om deze handelingen te verrichten. Verweerder heeft op 24 december 2025 weliswaar een vertrekgesprek met eiser gehouden. De rechtbank kwalificeert dit gesprek als een vertrekhandeling en de regievoerder heeft eiser niet alleen goed geïnformeerd over zijn rol en het verwachte verloop van de huidige fase van de terugkeerprocedure, maar ook door het stellen van gerichte vragen ruim voldoende aandacht besteed aan de proceshouding van eiser, zijn welbevinden en de mogelijkheid om met financiële ondersteuning terug te keren door deelname aan het EURP (European Union Reintegration Programme). De rechtbank vermag echter niet in te zien waarom dit gesprek, dat blijkens de verslaglegging 20 minuten heeft geduurd, niet zou hebben kunnen plaatsvinden zonder de maatregel op te leggen. Verweerder had er na het bewaringsgehoor ook voor kunnen kiezen om eiser uit te nodigen voor een vertrekgesprek in combinatie met de oplegging van een meldplicht.
  1. De rechtbank overweegt dat gelet op al het bovenstaande de indruk ontstaat dat het opleggen van de maatregel meer een standaardmatige reactie is geweest op de overname uit de strafrechtketen van een illegaal verblijvende vreemdeling en dat hier niet het grondige onderzoek dat is vereist alvorens de vrijheid te ontnemen aan ten grondslag heeft gelegen. Deze indruk wordt versterkt door de summiere standaardmatige motivering in de maatregel, die de rechtbank mede daarom onvoldoende deugdelijk acht.
  1. Uit de Afdelingsjurisprudentie volgt dat - kort gezegd - uit de zogenoemde 'zware gronden', indien deze feitelijk juist zijn, zonder meer in elke procedure en ten aanzien van elke vreemdeling een onttrekkingsrisico blijkt. De rechtbank overweegt dat deze Afdelingsjurisprudentie in de onderhavige procedure, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, niet onverkort van toepassing kan worden geacht. Zware grond 3a is feitelijk juist. Eiser is immers zonder toestemming en dus niet op de voorgeschreven wijze Nederland ingereisd. Omdat deze inreis echter 42 jaar geleden heeft plaatsgevonden en eiser ten tijde van de inreis 11 jaar oud was, had in de maatregel aanvullend moeten worden gemotiveerd waarom nu eiser volwassen is en zijn eigen keuzes maakt uit deze inreis een risico op onttrekking blijkt. Verweerder heeft ter zitting gewezen op een uitspraak in de vorige bewaringsprocedure waarin deze grond 3a wel akkoord is bevonden. De rechtbank heeft reeds aangegeven dat de feiten en omstandigheden in deze procedure niet meer identiek zijn door de eerdere opheffing en de verkrijging van een LP en dat de rechtbank bovendien een zelfstandige beoordeling verricht. Bij de motivering van deze grond is tevens vermeld dat eiser niet beschikt over documenten en daardoor zijn vertrek belemmert en dat hij bij zijn strafrechtelijke aanhouding een valse naam heeft opgegeven. Deze motivering houdt echter geen verband met de wijze waarop eiser Nederland is binnengekomen. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt terzake de strafrechtelijke aanhouding blijkt bovendien niet dat eiser een valse naam heeft opgegeven, maar is gerelateerd dat eiser, die heeft verklaard niet goed te kunnen lezen en schrijven, zijn naam niet kon spellen. De onderbouwing in de maatregel van zware grond 3a dat "uit het feit dat de betrokkene het gebruik van een geheel of gedeeltelijke onjuiste identiteit en/of hoedanigheid niet schuwt, geeft aan dat hij zijn verblijf hier mogelijk wil maken en/of te verlengen dan wel zijn uitzetting te belemmeren." is dan ook gebaseerd op een onjuiste lezing van de strafrechtelijke stukken en houdt ook geen verband met de wijze waarop eiser 42 jaar geleden Nederland is ingereisd. Uit zware grond 3a volgt dan ook, hoewel feitelijk juist, geen onderbouwing van het onttrekkingsrisico en de noodzaak om eiser in bewaring te stellen. Dit geldt ook voor zware grond 3b die als volgt is gemotiveerd:
(…)
"3b: zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
Na de opheffing van zijn laatste ibs d.d. 11-04-2025 heeft betrokkene illegale verblijf niet gemeld en heeft zich hier in Nederland opgehouden en heeft geen stappen ondernomen om zelfstandig te vertrekken.
Door zich niet aan te melden bij de korpschef heeft betrokkene reeds daardoor laten zien dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrekt."
(…)
De rechtbank overweegt dat het feitelijk juist is dat eiser zich niet bij de Korpschef heeft gemeld en geen inspanningen heeft geleverd om aan zijn terugkeerverplichting te voldoen. Zoals hiervoor is weergegeven is bij verweerder echter reeds 12 jaar bekend dat eiser illegaal in Nederland verblijft want eiser kan alleen rechtmatig verblijf hebben als verweerder dat verleent. Eiser heeft verder verklaard niet te hebben geweten dat hij een meldplicht heeft. Uit het dossier blijkt ook niet dat aan eiser een meldplicht is opgelegd en het is onduidelijk waarom verweerder meent dat eiser wist of had moeten weten dat als verweerder hem in vrijheid stelt, hij vervolgens bij de autoriteiten moet gaan melden dat hij er weer en hij er nog is. Indien verweerder eiser in beeld wil hebben had het in de rede gelegen om een meldplicht op te leggen in plaats van aan te nemen dat het voor eiser duidelijk is wat er in de vreemdelingenwet is bepaald. Verweerder had eiser daar bovendien op kunnen wijzen zodra duidelijk was dat eiser zich niet uit eigen beweging wekelijks is komen melden in plaats van het niet melden in de maatregel tegen te werpen. Dat eiser niet aan zijn terugkeerverplichting voldoet is geen onderbouwing voor zware grond 3b, die namelijk betrekking heeft op het aan het toezicht op vreemdelingen onttrekken. Daarvan is voorafgaand aan deze maatregel niet gebleken. Uit deze feiten blijkt dus niet dat eiser zich aan het toezicht heeft onttrokken en omdat eiser is ingeschreven in de BRP en dit adres ook bekend is bij verweerder, had nader moeten worden gemotiveerd waarom uit het niet melden van eiser ten tijde van de oplegging van de maatregel een onttrekkingsrisico blijkt. Indien verweerder meent dat eiser zich onmiddellijk na zijn vrijlating op 11 april 2025 bij de Korpschef had moeten melden omdat dit uit de vreemdelingenwetgeving volgt, valt in het geheel niet in te zien waarom verweerder eiser geen meldplicht heeft opgelegd en waarom verweerder eiser niet heeft verwijderd nadat hij op 8 mei 2025 een LP heeft verkregen. Verweerder heeft aan het niet vanaf 12 april 2025 melden door eiser kennelijk geen gewicht toegekend anders had verweerder eiser in april 2025 wel schriftelijk ontboden om te verschijnen in plaats van te wachten totdat eiser in de strafrechtketen verschijnt en vervolgens het opleggen van een maatregel moet worden gemotiveerd. De omstandigheden die aan de motivering van zware grond 3b ten grondslag zijn gelegd zijn dus feitelijk juist, maar de conclusie van verweerder dat hieruit volgt dat eiser zich heeft onttrokken aan het toezicht en er daarom een onttrekkingsrisico bestaat is onjuist en kan niet dienen ter onderbouwing van de maatregel. Uit de Afdelingsjurisprudentie volgt dat de lichte gronden nader moeten worden toegelicht om aan de maatregel ten grondslag te kunnen liggen. De rechtbank overweegt dat verweerder dit onvoldoende heeft gedaan. In de maatregel is gemotiveerd dat eiser beschikt over € 70, - en dat eiser "door zijn onbemiddeld verblijf in een vreemd land, ten eerste een onwettige situatie heeft gecreëerd waarbij een risico tot onttrekking aan toezicht evident is en ten tweede daardoor blijk geeft niet voornemens te zijn op eigen gelegenheid te vertrekken." De rechtbank overweegt dat deze motivering niet is toegespitst op de feitelijke situatie en de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Eiser verblijft immers reeds 42 jaar in 'dit vreemde land' en heeft een vaste woonplaats waarvan het adres is geregistreerd in de BRP. Eiser huurt de woning van de woningbouwvereniging en heeft verklaard dat een kennis hem helpt met het voldoen van de vaste lasten. Dit betekent dat alleen zware grond 3c resteert en 1 zware grond is onvoldoende om de noodzaak van een bewaringsmaatregel te onderbouwen. Uit het dossier blijkt wel dat eiser niet uit eigen beweging inspanningen verricht om terug te keren, maar blijkt niet dat eiser op enig moment of enige wijze de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Omdat in de maatregel onvoldoende is onderbouwd dat het belang van de openbare orde de oplegging van de maatregel vordert, is de noodzaak van de oplegging van de maatregel onvoldoende gemotiveerd. Dit leidt op zichzelf bezien tot opheffing van de maatregel.
  1. Daargelaten dat in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd dat het noodzakelijk is om eiser in bewaring te stellen om de verwijdering voor te bereiden dan wel uit te voeren, is ook niet deugdelijk onderzocht of de toepassing van een lichter mogelijk was zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om het terugkeerbesluit te effectueren. Het is onvoldoende om te wijzen op de proceshouding van eiser en aan te geven dat eiser niet uit eigen beweging zal terugkeren naar Marokko. Het is weliswaar evident dat dit nimmer zal geschieden, maar dit betekent niet dat de bewaring noodzakelijk is om gedwongen terugkeer mogelijk te maken. De fysieke aanwezigheid van eiser in het DTC in Rotterdam is niet nodig om een vertrekgesprek te houden en om bij het consulaat in Amsterdam een nieuwe LP te vragen en de verlopen LP te overhandigen. De rechtbank vermoedt dat de regievoerder terecht heeft ingeschat dat een nieuwe LP op korte termijn te verwachten valt. In de maatregel ontbreekt de motivering waarom de maatregel noodzakelijk is om een nieuwe LP aan te vragen en op de afgifte hiervan te wachten. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser zowel in het bewaringsgehoor als ter zitting heeft verklaard dat hij 'ooit' zijn paspoort heeft moeten overhandigen aan verweerder en dat verweerder dit niet betwist. De DT&V vult de daartoe benodigde papieren zelf in en de DIA brengt deze papieren en de verlopen LP zelf naar het consulaat. De medewerking van eiser is hiervoor niet nodig en de aanwezigheid van eiser in het DTC zal dit ook niet bespoedigen, waarbij de rechtbank opmerkt dat het eerder dan 9 dagen na oplegging van de maatregel overhandigen van de verlopen LP aan het consulaat dit vermoedelijk wel had gedaan. In de maatregel is ten aanzien van het lichter middel volstaan met een verwijzing naar de gronden en een standaardmatige motivering over de in het DTC beschikbare gezondheidszorg. De overweging hierbij "dat het risico bij het opleggen van een meldplicht in plaats van een inbewaringstelling te groot is en dat het lichter middel niet opweegt tegen de kans dat de vreemdeling op andere gedachten komt en zich weer aan het toezicht onttrekt en dat de kans daarop gelet op het vorenstaande groot is." is evident een tekstblok en niet toegespitst op de verklaringen en situatie van eiser. Eiser heeft zich niet eerder onttrokken aan het toezicht, althans daarvan blijkt uit het dossier en de motivering van de maatregel in het geheel niet. Omdat in de maatregel de BRP-registratie met vermelding van de adresgegevens en de eerdere verkrijging van een LP zijn vermeld, had het des te meer in de rede gelegen om uitdrukkelijk te motiveren waarom een meldplicht niet volstaat om tenminste de hernieuwde afgifte van een LP af te wachten. Uit deze motivering blijkt niet dat dit de brigadier die de maatregel heeft opgelegd deugdelijk is nagegaan of kon worden volstaan met een lichter middel en blijkt niet dat is onderkend dat ook bij langdurig illegaal verblijvende vreemdelingen de oplegging van de maatregel alleen is toegestaan als dit daadwerkelijk noodzakelijk is om de terugkeer voor te bereiden en uit te voeren. De maatregel is op dit punt onvoldoende gemotiveerd en dit is een zelfstandige reden om de maatregel van aanvang af onrechtmatig te achten.
  1. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij heeft besloten om eiser in bewaring te stellen en waarom verweerder dit noodzakelijk achtte om de uitvoering van het terugkeerbesluit dat op 28 mei 2014 is vastgesteld en op 22 oktober 2024 is aangevuld, voor te bereiden en de verwijdering te laten plaatsvinden. Een deugdelijke motivering van deze beslissing is altijd vereist maar juist gelet op de specifieke omstandigheden die aan deze maatregel zijn voorafgegaan wekt het gebruikmaken van een standaardmotivering de indruk dat de inbewaringstelling als vanzelfsprekend na de overname uit de strafrechtketen is beschouwd. Verweerder dient zich echter te allen tijde te realiseren dat, zoals het Hof onder meer in haar arrest C.B.X van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) heeft benadrukt en in haar arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647, C-313/25 PPU) onder verwijzing naar het arrest C.B.X. heeft herhaald, dat elke bewaring van een onderdaan van een derde land krachtens richtlijn 2008/115 in het kader van een terugkeerprocedure ten gevolge van illegaal verblijf een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van de betrokkene (…) en dat gelet op de ernst van deze inmenging in het in artikel 6 van het Handvest vastgelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht, de bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om een derdelander in bewaring te stellen strikt is afgebakend en een bewaringsmaatregel derhalve alleen kan worden bevolen of verlengd met inachtneming van algemene en abstracte regels waarin de voorwaarden en de wijze van toepassing ervan zijn vastgelegd.
  1. Dit betekent dat verweerder in elke procedure en ten aanzien van elke vreemdeling grondig moet onderzoeken of oplegging van de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is en dit ook uitdrukkelijk moet motiveren in de maatregel. Het opleggen van een bewaringsmaatregel vereist maatwerk en mag geen automatisme zijn. In de onderhavige procedure is verweerder er niet in geslaagd, gelet op bovenstaande overwegingen, om het rechtmatige karakter van het opleggen van de maatregel aannemelijk te maken en te motiveren. Aangezien de bewijslast voor het rechtmatige karakter van de maatregel op verweerder rust betekent dit dus dat de maatregel moet worden opgeheven. De rechtbank acht het niet nodig om de overige rechtmatigheidsvereisten van de maatregel te controleren.
  1. De rechtbank concludeert dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de maatregel onrechtmatig is en dat de gronden om dit standpunt te onderbouwen slagen. De rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel bevel en de invrijheidstelling van eiser gelasten. De rechtbank heeft ter zitting met eiser besproken dat indien de rechtbank zou overgaan tot opheffing van de maatregel, dit geen rechtmatig verblijf zou opleveren en eiser nog steeds een terugkeerverplichting zal hebben. Eiser heeft aangegeven dit te begrijpen en zich ook te realiseren dat hij er rekening mee moet houden dat op korte termijn een nieuwe LP zal worden afgegeven.
  1. Eiser is op 20 december 2025 onrechtmatig in bewaring gesteld en tot heden onrechtmatig in bewaring gehouden en maakt daarom aanspraak op schadevergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de bedragen die doorgaans voor onrechtmatige vrijheidsontneming worden toegekend en zal daarom bepalen dat aan eiser een bedrag van €1.430, - toekomt.
  1. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling uitspreken en daarbij het per 1 januari 2026 geïndexeerde bedrag van € 934, - per punt van hanteren (Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025, nr. 6844486, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Staatscourant 2025, 39855).
  1. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 januari 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.