Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:258 - Rechtbank Den Haag - 8 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2026:258•8 januari 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14656
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.[1] In hetzelfde besluit heeft verweerder een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking 'verblijf als familie - of gezinslid bij David Chigozirim Igwe'.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld te Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
- Eiseres is geboren op [datum] 2001 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit . Zij heeft op 10 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij als baby is besneden en dat het in haar gemeenschap, de Igbo-bevolkingsgroep, gebruikelijk is dat meisjes worden besneden als baby en opnieuw rond hun twintigste levensjaar. Vanaf haar negentiende jaar hebben de ouderen uit de gemeenschap haar vader bedreigd, waarna eiseres naar haar oom en tante in [plaats] is gegaan, waar zij ongeveer een jaar heeft verbleven. In die periode is zij telefonisch bedreigd door de ouderen uit haar gemeenschap, omdat zij willen dat eiseres terugkeert naar haar dorp om te worden herbesneden. Eiseres heeft uit vrees Nigeria verlaten en is naar Oekraïne vertrokken. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiseres opnieuw te worden besneden door de ouderen uit haar gemeenschap.
- Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij het relaas over de gestelde dreiging met herbesnijdenis niet geloofwaardig acht en zich op het standpunt stelt dat eiseres daarmee haar vrees om bij terugkeer naar Nigeria te worden herbesneden niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit landeninformatie
[2] volgt dat herbesnijdenis slechts zeer zelden voorkomt en dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tot een uitzonderingscategorie behoort. Eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom eiseres wel en haar zussen geen gevaar zouden lopen, nu uit haar verklaringen volgt dat haar vader tegen herbesnijdenis is en eerder met succes weerstand heeft geboden aan druk vanuit de gemeenschap. De door eiseres gestelde bedreigingen aan het adres van haar vader en oom acht verweerder onvoldoende concreet en onsamenhangend, gelet op het uitblijven van verdere stappen vanuit de gemeenschap en haar verblijf in [plaats] zonder problemen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer zal worden herbesneden. Er is daarom geen sprake van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade.
- Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en de goede procesorde. Zij wijst op de lange duur tussen haar melding in april 2022 en het gecombineerde gehoor in september 2024, zonder dat verweerder haar kwetsbare positie daarbij voldoende heeft betrokken. Verder heeft verweerder haar vrees voor herbesnijdenis ten onrechte niet aannemelijk geacht, omdat de positie van Igbo-vrouwen in een rurale gemeenschap in Imo-state en de daarmee samenhangende stam - en cultuurgebonden druk onvoldoende in de beoordeling zijn betrokken. Zij verwijst in dit verband naar een rapport van VluchtelingenWerk van 23 mei 2025 en een EUAA-rapport van november 2025, waaruit volgt dat vrouwelijke genitale verminking in traditionele gemeenschappen nog veel voorkomt en ouders die tegen de praktijk zijn hun dochter niet altijd kunnen beschermen. Gelet op haar referentiekader als jonge en ondergeschikte vrouw binnen de Igbo-gemeenschap, heeft eiseres zo concreet als redelijkerwijs van haar mag worden verwacht over de bedreigingen aan het adres van haar vader en oom heeft verklaard. Daarnaast verwijst eiseres naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 11 maart 2025 en 16 september 2024, waaruit volgt dat het referentiekader expliciet bij de geloofwaardigheidsbeoordeling moet worden betrokken.
[3] Ook bestrijdt zij dat zij een jaar zonder problemen in [plaats] heeft verbleven en stelt zij dat verweerder haar verblijf daar feitelijk als binnenlands beschermingsalternatief heeft meegewogen zonder nader onderzoek naar haar feitelijke situatie. Ten slotte heeft verweerder het risico voor haar zussen, onder wie haar inmiddels meerderjarige zus die bij haar oom en tante verblijft om herbesnijdenis te voorkomen, onvoldoende in de beoordeling betrokken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ontvankelijkheid van het beroep
- In het bestreden besluit van 19 februari 2025 staat vermeld dat de termijn voor het instellen van beroep vier weken bedraagt. Het beroep is pas op 28 maart 2025 ingesteld. De gemachtigde van eiseres heeft in de beroepsgronden aangevoerd dat zij eerst op 5 maart 2025 via een melding in de digitale omgeving kennis heeft genomen van het bestreden besluit. In het verweerschrift van 16 juni 2025 staat dat op 19 februari 2025 geen e-mail en geen e-mailnotificatie zijn aangemaakt en verzonden over de plaatsing van het besluit in de digitale omgeving. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het bestreden besluit pas op 5 maart 2025 is bekendgemaakt. Het op 28 maart 2025 ingestelde beroep is daarom ontvankelijk.
Vrees voor herbesnijdenis
- De voorwaarden voor de beoordeling van een asielrelaas zijn neergelegd in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn
[4] en zijn overgenomen in artikel 31 van de Vw. Uit deze bepalingen volgt dat het uitgangspunt is dat de vreemdeling de door hem gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk maakt. In voorkomende gevallen stelt verweerder in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen van het relaas vast. Daarbij wordt betrokken dat verklaringen niet altijd volledig met documenten kunnen worden onderbouwd en dat ook de aansluiting bij andere bronnen, zoals landeninformatie, en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling een rol spelen.
- Wanneer de relevante elementen van het relaas niet met stukken kunnen worden gestaafd, kan pas worden toegekomen aan het voordeel van de twijfel als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn als het relaas in de kern geloofwaardig en intern consistent is, maar niet op alle onderdelen met bewijs kan worden ondersteund. Deze uitgangspunten zijn uitgewerkt in paragraaf C1/4.4 van de Vc
[5] en in Werkinstructie 2024/6. Onderdeel daarvan is dat verweerder bij de beoordeling rekening houdt met het referentiekader van de vreemdeling, waaronder leeftijd, achtergrond, positie in de samenleving en overige persoonlijke omstandigheden. Niet is gebleken dat verweerder in het geval van eiseres andere of zwaardere voorwaarden heeft gehanteerd dan die welke uit deze bepalingen en het beleid voortvloeien.
- Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Nigeria het door haar gestelde risico loopt om opnieuw te worden besneden. Uit het ambtsbericht en de door verweerder aangehaalde aanvullende landeninformatie, volgt dat vrouwelijke genitale verminking, hoewel strafbaar, in de praktijk nog voorkomt en ook binnen de Igbo-bevolkingsgroep wordt toegepast. Herbesnijdenis, in de zin van een tweede ingreep bij vrouwen die reeds als kind zijn besneden, wordt daarin echter als een zeldzame uitzondering beschreven, zonder concrete gegevens over de omvang of verspreiding van deze praktijk. Gelet op dit algemene beeld en de omstandigheid dat eiseres stelt dat juist in haar gemeenschap herbesnijdenis gebruikelijk is, heeft verweerder in redelijkheid van haar kunnen verlangen dat zij die stelling met concrete, op haar situatie toegespitste verklaringen onderbouwt.
- Verweerder heeft bij die beoordeling in aanmerking mogen nemen dat de door eiseres genoemde nicht die op haar twintigste is besneden, op zichzelf geen objectieve bevestiging vormt van een praktijk van herbesnijdenis in haar gemeenschap. Uit de verklaringen van eiseres volgt niet dat deze nicht als baby reeds is besneden en op latere leeftijd opnieuw is besneden of dat zij op latere leeftijd een eerste besnijdenis heeft ondergaan, zoals in sommige gemeenschappen voorkomt. Ook overigens heeft eiseres niet concreet gemaakt welke specifieke gebruiken in haar familie of gemeenschap ertoe leiden dat meisjes die als baby zijn besneden standaard rond hun twintigste opnieuw worden besneden. De door eiseres aangehaalde passages uit het ambtsbericht en andere algemene bronnen bevestigen wel dat vrouwelijke genitale mutilatie in Nigeria en in traditionele Igbo-gemeenschappen voorkomt en dat sociale druk een rol speelt, maar bieden geen objectieve steun voor haar stelling dat in haar specifieke gemeenschap structureel sprake is van herbesnijdenis van reeds als kind besneden vrouwen. Verweerder heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een van de in de landeninformatie beschreven uitzonderingsgevallen.
- Ook voor wat betreft de gestelde bedreigingen aan het adres van haar vader en oom heeft verweerder de verklaringen van eiseres in redelijkheid als onvoldoende concreet en specifiek kunnen aanmerken. Eiseres heeft verklaard dat de ouderen wekelijks bij haar vader langskwamen, dat er spullen in de woonkamer van haar vader zijn vernield en dat haar oom telefonisch werd bedreigd, maar zij heeft, ook na de correcties en aanvullingen, weinig nadere details gegeven over de inhoud, frequentie en gevolgen van die bedreigingen. Daarbij is van belang dat eiseres volgens haar eigen verklaringen aanwezig was bij bezoeken waarbij vernielingen plaatsvonden en dat deze gebeurtenissen mede aanleiding waren om naar haar oom in [plaats] te vertrekken. Onder deze omstandigheden mocht verweerder van eiseres verwachten dat eiseres deze voorvallen gedetailleerder kon beschrijven dan thans is gebeurd. Dat de bedreigingen veelal via haar vader en oom zijn verlopen en dat zij niet van ieder telefoongesprek op de hoogte was, doet daar niets aan af. Uit het gehoor blijkt dat eiseres in staat was haar achtergrond, de structuur van haar gemeenschap en de gang van zaken rond de dreiging globaal uiteen te zetten. Daarmee is haar referentiekader voldoende kenbaar in de beoordeling betrokken. In dit verband geven de door haar aangehaalde uitspraken van deze rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 31 van de Vw of het eigen beleid.
- Ten aanzien van het verblijf van eiseres bij haar oom en tante in [plaats] heeft verweerder van belang mogen achten dat zij daar volgens haar eigen verklaringen ongeveer een jaar heeft verbleven zonder dat er iets is gebeurd. Dat haar oom in die periode enkele malen telefonisch is benaderd door personen uit de gemeenschap, heeft verweerder niet hoeven aanmerken als zodanige verdere escalatie dat daaruit een actuele en individuele dreiging kan worden afgeleid. De lezing van eiseres dat verweerder haar feitelijk een vestigingsalternatief in [plaats] tegenwerpt, vindt geen steun in de motivering van het bestreden besluit. Verweerder heeft het verblijf in [plaats] aangemerkt als indicatie dat eiseres gedurende het laatste jaar van haar verblijf in Nigeria geen problemen heeft ondervonden. De door eiseres aangehaalde aanvullende rapportages bevestigen dat vrouwelijke genitale mutilatie in bepaalde delen van Nigeria diep in de cultuur is verankerd en dat sociale druk en stigma zwaar kunnen wegen, in het bijzonder in traditionele gemeenschappen in het zuiden en oosten van het land. Deze stukken bevatten echter geen concrete informatie waaruit blijkt dat in de gemeenschap van eiseres structureel sprake is van herbesnijdenis van vrouwen die als kind reeds zijn besneden of dat vrouwen in een vergelijkbare positie als eiseres stelselmatig aan een tweede ingreep worden onderworpen. Verweerder heeft zich daarom, ook gelet op deze aanvullende informatie, terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar gestelde vrees voor herbesnijdenis niet aannemelijk heeft gemaakt en dat zij bij terugkeer naar Nigeria geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade.
- Verweerder heeft gelet op het voorgaande de asielaanvraag van eiseres terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eensbent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Nigeria, januari 2023 (ambtsbericht) en België, CGRS-CEDOCA, Nigeria: Les mutilations génitales féminines (MGF), 13 mei 2019, url, pagina 9.
ECLI:NL:RBDHA:2025:3728 en ECLI:NL:RBDHA:2024:14681.
Richtlijn 2011/95/EU.
Vreemdelingencirculaire 2000. - - - ## Voetnoten