Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:130 - Rechtbank Den Haag - 6 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:1306 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60736

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

mede namens haar minderjarige dochter [naam]
(gemachtigde: mr. J. de Jong),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiseres is het met dat besluit niet eens en heeft beroep ingesteld.
  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
  1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
  1. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening[1]. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.[2]
  1. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Nederland heeft bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 8 augustus 2025 aanvaard. Daarbij vertrouwt verweerder erop dat Duitsland zijn internationale verdragsverplichtingen voor de behandeling van de asielaanvraag nakomt. Dat wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd.
Beroepsgronden
  1. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiseres vindt dat verweerder haar asielaanvraag toch (onverplicht) in behandeling moet nemen en doet daarbij een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Zij vreest dat de Duitse autoriteiten zich niet zullen houden aan hun verplichtingen en dat een eventueel daartegen in te dienen klacht niet serieus zal worden genomen. Zij vreest ook dat haar asielaanvraag door de Duitse autoriteiten zal worden afgewezen, waarmee de kans op refoulement aanwezig is. Eiseres merkt daarbij op dat haar problemen complex zijn en wenst dat de Nederlandse autoriteiten haar asielaanvraag toch inhoudelijk behandelen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
  1. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken wanneer in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Het is aan eiseres om dat aannemelijk te maken. Bij deze beoordeling is ook het arrest Jawo[3] van belang. Uit dat arrest blijkt dat, als er sprake is van structurele tekortkomingen, die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel moeten bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM[4] en artikel 4 van het Handvest[5] te vallen.
  1. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in het geval van Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Duitsland heeft met zijn claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiseres in behandeling zal worden genomen en dat hij zich zal houden aan de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiseres geen aanknopingspunten dat haar asielaanvraag in Duitsland niet zorgvuldig of volgens de Europese regels zal worden behandeld. De gestelde vrees is daarvoor onvoldoende. Eiseres heeft haar vrees voor (indirect) refoulement ook niet onderbouwd. Daarbij heeft verweerder in het bestreden besluit terecht erop gewezen dat eiseres bij eventuele tekortkomingen in de opvang of de procedure kan klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Dit volgt ook uit vaste jurisprudentie van de Afdeling[6]. Het is niet gebleken dat dit voor eiseres onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
  1. Eiseres heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De stelling van eiseres dat haar problemen complex zijn, is niet onderbouwd, en is daarvoor dan ook niet voldoende.

Conclusie en gevolgen

  1. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiseres kan worden overgedragen aan Duitsland.
  1. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van N.A. D'Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Verordening (EU) nr. 604/2013
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:2018
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359 - - - ## Voetnoten
Verordening (EU) nr. 604/2013
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:2018
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359