Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:123 - Rechtbank Den Haag - 6 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2026:123•6 januari 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63294
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft de rechtbank, op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst bij uitspraak van 24 oktober 2025.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 30 december 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 oktober 2025 (in de zaak NL25.49497) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Ontbreekt het zicht op uitzetting en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
- Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft volgens de voortgangsrapportage pas een vertrekgesprek ingepland met de Ethiopische autoriteiten nadat er op 14 november 2025 van de Ethiopische autoriteiten bericht is ontvangen dat eiser niet voorkomt in hun database. De minister heeft niet gemotiveerd waarom er niet eerder een vertrekgesprek is gepland. Verder voert eiser aan dat er geen zicht is op uitzetting, omdat de Ethiopische autoriteiten al op 14 november 2025 hebben bevestigd dat eiser niet voorkomt in hun database. De Ethiopische autoriteiten zullen dus geen laissez-passer (lp) kunnen afgeven aan eiser.
3.1. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 17 november 2025 en op 15 december 2025 vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser. Op 27 november 2025 is gerappelleerd en is eiser gepresenteerd bij de Ethiopische autoriteiten. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder dat het resultaat van deze presentatie per 1 december 2025 in onderzoek is genomen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft voldaan aan zijn verplichting om maandelijks uitzettingshandelingen te verrichten. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
3.2. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de Ethiopische autoriteiten geen lp zullen afgeven en daarmee het zicht op uitzetting ontbreekt. Eisers presentatie is namelijk in onderzoek genomen op 1 december 2025. Hieruit blijkt niet dat de Ethiopische autoriteiten de lp-aanvraag voor eiser (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- De rechtbank ziet – ambtshalve – in de door de minister van eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
[1]
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X). - - - ## Voetnoten