Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:8293 - Rechtbank Den Haag - 22 januari 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:829322 januari 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.2067
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen I. Solomon. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft zich schriftelijk afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

  1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
  1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
  1. Eiser is op 12 januari 2025 in detentie geplaatst. Desgevraagd heeft eiser ter zitting de insluitingstijden op Schiphol toegelicht. Eiser heeft verklaard dat hij de eerste periode van zijn detentie dagelijks vanaf 17:00 uur werd ingesloten en dat hij pas de volgende ochtend weer uit zijn cel mocht. Overdag mocht hij één uur naar buiten. Vanaf in ieder geval 19 januari 2025 bevindt eiser zich op een andere afdeling van het detentiecomplex te Schiphol. Dit is door verweerder bevestigd. Op deze afdeling wordt wel een avondprogramma aangeboden, waardoor eiser nu dagelijks vanaf 20:00 uur ingesloten wordt. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat eiser, sinds het opleggen van de maatregel van 12 januari 2025, in elk geval (ruim) één week onder omstandigheden als beoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2024[1] in detentie is geplaatst. Dit betekent dat eiser vanaf 12 januari 2025 tot 19 januari 2025 onder onrechtmatige, penitentiaire omstandigheden de vrijheid was ontnomen.
  1. Daargelaten de vraag of de gewijzigde omstandigheden vanaf 19 januari 2025 het penitentiaire karakter van de detentie wegnemen, staat vast dat eiser gedurende een substantiële periode in onrechtmatige detentieomstandigheden heeft verkeerd. Het beroep is alleen hierom al gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van
22 januari 2025.
  1. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 11 x € 130, - (verblijf detentiecentrum) = € 1.430,-.
  1. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van 22 januari 2025; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.430,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2024:20829. - - - ## Voetnoten
ECLI:NL:RBDHA:2024:20829.