Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:26010 - Rechtbank Den Haag - 12 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2025:26010•12 december 2025
Uitspraak inhoud
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14720
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Harmanci),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. mr. I.A.G. Lodders).
Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor een bepaalde tijd met als doel 'arbeid als zelfstandige'. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
- Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 27 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij deze eerdere afwijzing gebleven.
2.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij in afwachting van en ten behoeve van de beroepsprocedure in Nederland mag blijven om de beroepsprocedure voor te bereiden en af te wachten.
2.2. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, NL25.14721, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
- Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Turkse nationaliteit. Op
24 oktober 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel 'arbeid als zelfstandige'. Deze aanvraag is bij het primaire besluit van
27 november 2024 afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Eiser voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste in paragraaf B1/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) omdat zijn uitzetting niet in strijd is met het Turks associatierecht. Aan eiser is met het primaire besluit van 27 november 2024 ook een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft op
20 december 2024 bezwaar ingediend tegen dit besluit.
3.1. Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat de aanvraag niet mag worden afgewezen op grond van het mvv-vereiste. Het op 1 oktober 2022 ingevoerde mvv-vereiste voor Turkse staatsburgers is een aanscherping in de zin van de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol.1 Die aanscherping is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) toegestaan als deze kan worden gerechtvaardigd. Dat is volgens de minister het geval omdat de aanscherping een rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelen te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk om die doelen te verwezenlijken. In het geval van eiser stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser is daartoe wel in de gelegenheid gesteld. Daartoe overweegt de minister verder dat eiser niet heeft aangetoond of onderbouwd dat hij niet vanuit het buitenland zijn ondernemingsplan kan onderbouwen, dus is er niet aannemelijk gemaakt dat hij de mvv niet vanuit het buitenland kan aanvragen. Evenmin is onderbouwd dat het indienen van een mvv - aanvraag in Turkije in eisers geval gaat leiden tot uitschrijving uit het KvK-register, nu eiser al een uittreksel van de KvK heeft overgelegd. Omdat er tijdens het bezwaar geen relevante bijzondere persoonlijke feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht en er volgens de minister verder geen sprake is van resterende onduidelijkheden met betrekking tot het feitencomplex, heeft de minister afgezien van het horen van eiser.
Juridisch kader
- Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.
4.1. Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, als het betreft de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.
- Het Aanvullend Protocol, ondertekend te Brussel op 23 november 1970 en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972.
4.2. In artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 staat dat op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000, van
het vereiste van een geldige mvv is vrijgesteld, de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 of wiens uitzetting in strijd is met het Turks Associatierecht.
4.3. Met het Wijzigingsbesluit 23 september 2022 (WBV 2022/23), heeft de minister het beleid in de Vc 2000 aangepast. In paragraaf B1/4.1.2 van de Vc 2000 staat na deze aanpassing, voor zover relevant:
"Vrijstelling MVV-vereiste vanwege het Associatierecht EEG-Turkije
Een vreemdeling is vrijgesteld van het MVV-vereiste, als artikel 3.71, tweede lid, onder e, Vb van toepassing is. De IND neemt aan dat uitzetting in strijd is met het Associatierecht in de zin van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, Vb als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: - de vreemdeling of de hoofdpersoon valt onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol; - de vreemdeling heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder mvv ingediend; - de vreemdeling voldoet aan alle overige geldende voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning; en - er is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is.
De bijzondere, individuele omstandigheden moeten het uitoefenen van het vrij verkeer van werknemers of de vrijheid van vestiging belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als bij een aanvraag om verblijf als gezinslid bij een Turkse hoofdpersoon die tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort, die Turkse hoofdpersoon door de bijzondere, individuele omstandigheden genoodzaakt wordt om te kiezen tussen het uitoefenen van de economische activiteit in Nederland en het gezinsleven in Turkije.
De IND neemt in beginsel geen belemmering van het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland aan als de bijzondere, individuele omstandigheden uitsluitend zien op de: - politieke, economische of sociale situatie in Turkije; of - persoonlijke omstandigheden in Turkije.
De IND neemt geen belemmering aan voor het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland als de bijzondere, individuele omstandigheden zien op de: - (voortzetting van) illegale arbeid in Nederland.
Het is aan de vreemdeling om de eventuele bijzondere individuele omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen.
Aanvragen voor een verblijfsvergunning die door de IND zijn ontvangen voor 1 oktober 2022 worden niet afgewezen op het mvv-vereiste als de aanvrager onder het toepassingsbereik valt van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol en, behalve aan het mvv - vereiste, aan alle overige voorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel voldoet."
Krijgt eiser vrijstelling van het griffierecht?
- Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van zijn beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
Wat is het standpunt van eiser in beroep?
- Eiser heeft in beroep aangevoerd dat beoordeling van de herinvoering van het mvv-vereiste als voorwaarde voor Turkse burgers om toegang te krijgen tot Nederland in het kader van het aanvragen van een verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige per 1 oktober 2022 de kern van het geschil is. Eiser vindt dat het nieuwe mvv-vereiste niet goed onderbouwd is door de minister en dus in strijd is met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol en het Associatierecht.
Is er een wettelijke basis voor het mvv-vereiste?
- Eiser voert aan dat de beleidswijziging van 1 oktober 2022 buiten toepassing dient te worden verklaard en verwijst daarvoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 3 juni 2024.2 Volgens eiser volgt uit deze uitspraak dat artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 geen ruimte biedt voor beoordelings - of beleidsruimte aan de minister. Dat betekent dat het beleid zoals dat is neergelegd in paragraaf B1/4.1.2 van de Vc 2000 geen wettelijke basis heeft, waardoor het besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Ter zitting heeft eiser dit punt nader aangevuld door te stellen dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 20253, waarin is overwogen dat er wel beoordelingsvrijheid is op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000, motivering mist en dat de Afdeling hiermee een zelfstandige discretionaire bevoegdheid in het leven roept. Dat is volgens eiser in strijd met het legaliteitsbeginsel.
7.1. De rechtbank is van oordeel dat er een wettelijke basis bestaat voor het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij aanvragen van Turkse onderdanen. De rechtbank verwijst naar de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, waarin is overwogen dat de bevoegdheid om een aanvraag af te wijzen is neergelegd in artikelen 14 en 16 van de Vw 2000. Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, wordt een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv als een vreemdeling behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie. Die categorieën worden in artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 nader uitgewerkt. Onder e van deze bepaling is een vreemdeling, die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van Besluit nr. 1/80 of van wie de uitzetting in strijd is met het Associatierecht vrijgesteld van het mvv-vereiste. In paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 staat wanneer volgens de minister de uitzetting in strijd is met dat recht. Anders dan eiser stelt, biedt artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van de Vb 2000 wel beoordelingsruimte en wordt er in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 niet een nieuwe, zelfstandige bevoegdheid door de Afdeling of de minister gecreëerd. Daarmee slaagt het beroep op het legaliteitsbeginsel niet. Ook slaagt het beroep op de uitspraak van 3 juni 2024 niet. Deze uitspraak is namelijk bij de Afdelingsuitspraak van 1 juli 2025 vernietigd.
2 ECLI:NL:RBDHA:2024:12223.
3 ECLI:NL:RVS:2025:2935.
Is het mvv-vereiste gerechtvaardigd?
Dwingende reden van algemeen belang
7.2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat dwingende redenen van algemeen belang de herinvoering van het zelfstandige mvv - vereiste rechtvaardigen. Deze herinvoering is namelijk primair gericht op de inburgeringstoets in het buitenland en niet op het voorkomen en tegengaan van illegaal verblijf of werken in Nederland. Eiser leidt dit af uit het tijdsverloop sinds het arrest Yön van het Hof.4 Bovendien levert de groep Turkse zelfstandigen geen ongecontroleerde migratie op en hebben zij geen motief om illegaal te verblijven op het Nederlandse grondgebied.
7.3. De rechtbank is van oordeel dat het voldoende duidelijk is dat de minister het effectief beheer van migratiestromen, als dwingende reden van algemeen belang heeft beoogd bij het opnieuw toepassen van het mvv-vereiste bij Turkse onderdanen die in Nederland arbeid als zelfstandige willen verrichten. Dit volgt namelijk uit de brief van de minister van 5 juli 2022 aan de Tweede Kamer5 en het WBV 2022/23. Ook volgt uit het Yön-arrest in punt 77 dat het efficiënte beheer van migratiestromen en het voorkomen van illegale binnenkomst en illegaal verblijf een dwingende reden van algemeen belang vormen. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang, gelegen in het effectief beheer van de migratiestromen. Dat de groep Turkse zelfstandigen geen ongecontroleerde migratie oplevert en geen motief heeft om illegaal te verblijven op het Nederlandse grondbied is door eiser niet verder onderbouwd. Bovendien zijn Turkse nieuwkomers die verblijf willen in Nederland om arbeid als zelfstandige te verrichten en voor dat verblijfsdoel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aanvragen, niet inburgeringsplichtig. Het verrichtten van arbeid als zelfstandige is namelijk een tijdelijk verblijfsdoel in de zin van de Wet inburgering 2021. De rechtbank verwijst hiervoor naar de Afdelingsuitspraak van
9 juli 20256, onder 5.1 en 5.2.
Geschiktheid van de maatregel
7.4. Eiser stelt verder dat de strikte toepassing van het mvv-vereiste het nut van de vrij verkeer-bepaling in het EG-verdrag ondermijnt, waardoor het voor potentiële Turkse zelfstandigen bijna onmogelijk wordt om in aanmerking te kunnen komen voor verblijfsrecht en het vrije verkeer onmogelijk wordt. Het is namelijk niet mogelijk om een eenmanszaak op te richten of om zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK) vanuit het buitenland.
7.5. De rechtbank is van oordeel dat het mvv-vereiste geschikt is om het doel van de maatregel, het effectief beheer van migratiestromen, te bereiken. Door het invoeren van het mvv-vereiste kan voorafgaand aan de feitelijke binnenkomst van de Turkse onderdanen worden onderzocht of aan alle vereisten voor de toelating wordt voldaan en de rechtmatigheid van het verblijf worden gecontroleerd. Dit heeft het Hof in punt 79 van het arrest Yön geoordeeld. Zie hiervoor ook de Afdelingsuitspraak van 1 juli 2025, onder 8. Het argument dat het bijna onmogelijk is om aan de voorwaarden van het mvv-vereiste te voldoen omdat er geen eenmanszaak kan worden opgestart in het buitenland en een
4 Zie ECLI:EU:C:2018:632.
5 Kamerstukken II, 2021/2022, 32 824, nr. 366.
6 Zie ECLI:NL:RVS:2025:3171.
inschrijving van het KvK vanuit het buitenland niet kan, is relevant in het kader van de evenredigheid. Dat geldt eveneens voor de stelling dat het vrije verkeer van potentiële zelfstandigen onmogelijk wordt. De rechtbank behandelt deze argumenten daarom hierna onder 7.6 en verder.
Evenredigheid en noodzakelijkheid van de maatregel
7.6. Eiser vindt verder dat het mvv-vereiste onevenredig is voor het bereiken van de door de minister gestelde doelen, omdat de doelgroep niet aansluit op het probleem. Daartoe stelt eiser dat Turkse zelfstandigen geen significante groep vormen die een risico vormen voor ongecontroleerde migratiestromen, onrechtmatig blijf of integratieproblemen. Daarnaast zorgt het mvv-vereiste volgens eiser ook voor onevenredige beperkingen, omdat het generieke karakter ervan ook zelfstandigen treft die geen risico vormen. Hij stelt dat er minder ingrijpende alternatieven zijn die dezelfde doelen kunnen bereiken, zonder dat er sprake is van strijd met de rechten van Turkse zelfstandigen onder de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Het mvv-vereiste is daarmee disproportioneel en niet noodzakelijk.
7.7. De rechtbank overweegt dat artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 en paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 regelen dat een vreemdeling vrijstelling kan krijgen van het mvv-vereiste als de minister van oordeel is dat uitzetting in strijd is met het Associatierecht. Daarvoor is van belang dat de vreemdeling voldoet aan de overige voorwaarden van het verlenen van de verblijfsvergunning en dat er sprake moet zijn van bijzondere individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat er sprake is van onevenredigheid. In het beleid van de minister ten aanzien van het mvv-vereiste voor Turkse zelfstandigen is er dus een evenredigheidstoets opgenomen. Op die manier heeft de minister dus voorzien in een mogelijkheid om een vreemdeling vrij te stellen van het mvv-vereiste als het niet redelijk zou zijn om van die vreemdeling te verwachten dat hij vanuit zijn land van herkomst een mvv zou moeten aanvragen. Vergelijk het Yön-arrest, punt 82. Verder is in paragraaf B1/4.1 van de Vc 2000 onder meer opgenomen dat het aan de vreemdeling is om de eventuele bijzondere individuele omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen. Dat er volgens eiser alternatieven zijn om hetzelfde doel te bereiken, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu eiser dit niet heeft onderbouwd.
7.8. Eiser voert aan dat het onmogelijk is om vanuit het buitenland aan de documentatievereisten te voldoen, omdat stukken zoals de inschrijving bij de KvK, een Nederlandse bankrekening en een btw-nummer in Nederland moeten worden geregeld.
7.9. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet en verwijst hiervoor naar de Afdelingsuitspraak van 1 juli 2025, onder 9.2.1 en 9.2.2. Een Nederlandse bankrekening of een btw-nummer worden niet genoemd in bijlage 8aa, behoren bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV 2000, en paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000, als stukken die bij de aanvraag moeten worden overgelegd. Verder geldt dat de minister mag verlangen dat een vreemdelingen de in deze bepalingen genoemde stukken indient, voor zover hij daarover redelijkerwijs kan beschikken. Als een vreemdeling een steekhoudende verklaring heeft gegeven waarom hij over een bepaald stuk of bepaalde stukken niet de beschikking kan krijgen, en de minister de aanvraag desondanks niet voorlegt voor advies aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zal de minister dit moeten motiveren. Zie de uitspraak van
de Afdeling van 26 februari 20257, onder 5.1. Dit is in deze zaak niet het geval. Eiser heeft namelijk bij zijn aanvraag een uittreksel van de KvK van de inschrijving van zijn eenmanszaak overgelegd, en een ondernemingsplan. Een Nederlandse bankrekening en een btw-nummer worden in de eerder genoemde bepalingen niet genoemd als stukken die moeten worden overgelegd. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser zijn eenmanszaak heeft opgericht terwijl hij illegaal in Nederland verbleef. Hij had namelijk geen verblijfsrecht dat hem toestond arbeid in Nederland te verrichten. Het voorkomen van illegale arbeid is juist een van de dwingende redenen van algemeen belang waarom de minister het mvv-vereiste weer is gaan toepassen.
7.10. Verder heeft eiser aangevoerd dat wanneer iemand terug zou moeten naar Turkije om daar een mvv aan te vragen, deze persoon zal worden uitgeschreven uit de KvK. Bovendien zal deze persoon zijn ondernemingsplan niet kunnen onderbouwen, omdat de onderneming niet dan actief is. Daarvoor is ook inschrijving van in de KvK nodig, en een DigiD. Dat kan niet vanuit het buitenland worden geregeld.
7.11. Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. De minister heeft terecht gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat de inschrijving bij de KvK wordt doorgehaald wanneer iemand zich buiten Nederland bevindt of dat dit bij terugkeer naar Turkije zal gebeuren. Dit geldt evenzo voor het overleggen van het ondernemingsplan. Bovendien heeft eiser bij zijn aanvraag een ondernemingsplan overgelegd. De stelling dat het vanuit Turkije onmogelijk is om zich in te schrijven bij de KvK behoeft geen verdere bespreking, aangezien de eenmanszaak van eiser al staat in geschreven bij de KvK. De andere in punt 7.4 genoemde stelling dat vrij verkeer feitelijk onmogelijk zal worden gemaakt door toepassing van het mvv-vereiste, is evenmin onderbouwd. Dat hij tijdens zijn verblijf in Nederland zonder mvv wel een KvK-uittreksel en ondernemingsplan heeft kunnen overleggen, benadrukt bovendien dat niet valt in te zien waarom het in zijn situatie onevenredig zou zijn om het mvv-vereiste toe te passen.
7.12. Ten aanzien van het nieuwe vereiste van bijzondere individuele omstandigheden stelt eiser zich verder op het standpunt dat dit geen aanvaardbare invulling van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 is. Het beleid is namelijk te stringent geformuleerd. Dat is volgens eiser in strijd met artikelen 12-14 van het Associatierecht. In dat kader verwijst eiser naar het Yön-arrest en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2024.8 Verder acht eiser het nieuwe vereiste in strijd met het transparantie - en rechtszekerheidbeginsel, omdat de eis zodanig vaag is geformuleerd dat het afhankelijk is van wat de minister als bijzonder en persoonlijk wil aanmerken.
7.13. Dit betoog leidt evenmin tot de conclusie dat het toepassen van het mvv-vereiste voor eiser onevenredig is. Zoals hiervoor uiteengezet wordt er in het beleid rekening gehouden met bijzondere individuele omstandigheden, als dergelijke omstandigheden worden aangevoerd. Eiser heeft bij de aanvraag en in bezwaar geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht, waarom het in zijn geval niet redelijk zou zijn om te verwachten dat hij in Turkije een mvv aanvraagt. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere individuele
7 ECLI:NL:RVS:2025:734.
8 Zie ECLI:NL:RBDHA:2024:18426.
omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste voor hem onevenredig is. Dat er volgens eiser geen omstandigheden kunnen worden bedacht die kunnen leiden tot de vrijstelling van het mvv-vereiste, maakt niet dat de maatregel daarom onevenredig is. Eiser heeft verder niet nader onderbouwd dat het vereiste in strijd is met het transparantie - en rechtszekerheidsbeginsel. Ook slaagt het beroep op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2024 niet, nu de rechtbank niet toetst aan de juistheid van een uitspraak van een andere rechtbank. Daarvoor staat de weg van hoger beroep open.
Tussenconclusie artikel 41 van het Aanvullend Protocol
7.14. Uit het voorgaande volgt dat de herinvoering van het zelfstandige mvv-vereiste vanaf 1 oktober 2022 niet in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Er is namelijk een dwingende reden van algemeen belang aanwezig voor aanscherping van het mvv-vereiste. De maatregel is geschikt om de verwezenlijking van het doel, het effectief beheer van de migratiestromen te waarborgen, en het gaat niet verder dan nodig is voor het bereiken van dat doel. Zie hiervoor ook de Afdelingsuitspraken van 1 juli 2025, 9 juli 2025 en 4 september 2025.9
Is het mvv-vereiste discriminatoir?
- Eiser voert voorts aan dat het besluit in strijd is met het discriminatieverbod op grond van nationaliteit in artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije.
8.1. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. Zij verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.14 van deze uitspraak en de Afdelingsuitspraak van 1 juli 2025, onder
11.1. Omdat de maatregel gerechtvaardigd is, sluit dat uit dat de maatregel discriminatoir is. Er is daarom geen strijd met artikel 9 van de Associatieovereenkomst.
Had eiser moeten worden gehoord in bezwaar?
- Tenslotte vindt eiser dat hij had moeten worden gehoord. In dat kader wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 7 maart 2023.10
9.1. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen in bezwaar mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.11 In deze zaak is er aan die maatstaf voldaan, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser heeft in bezwaar namelijk geen bijzondere individuele feiten en omstandigheden naar voren gebracht.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daardoor is er geen aanleiding voor veroordeling in de proceskosten.
9 Zie ECLI:NL:RVS:2025:4285.
10 Zie ECLI:NL:RBDHA:2023:4114.
11 Zie ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 4.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.