Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:25597 - Rechtbank Den Haag - 23 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:2559723 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48085

[eiser], eiser,

V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen.
1.1. Eiser heeft op 16 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.[1] Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 oktober 2025 afgewezen als ongegrond.
1.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
  1. Eiser heeft de Jordaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1989. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij biseksueel is. Eiser is door de moeder van zijn vriend betrapt toen hij seks had met hem. Hij is vervolgens gevlucht naar huis. De volgende dag hoorde hij via een winkelier dat de broers van zijn vriend hem zochten. Vervolgens is eiser naar [plaats] gevlucht, waar hij enkele maanden verbleef. Na een vredesverklaring die de stammen hebben opgesteld naar aanleiding van het incident met zijn vriend is eiser een geldboete opgelegd, moest hij Jordanië verlaten en mocht hij niet meer terugkeren. Eiser is met een visum, verstrekt door de Nederlandse vertegenwoordiging, vertrokken naar Europa. Via Duitsland is hij naar Nederland gekomen. Eiser heeft verklaard dat zijn leven in gevaar is bij terugkeer naar Jordanië, omdat zijn stam in Jordanië hem niet meer zal beschermen tegen de stam waartoe zijn vriend behoort.
  1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
3.1. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dat eiser biseksueel is en daardoor problemen heeft ondervonden, vindt verweerder niet geloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn verklaringen daarover niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Het asielrelaas is door verweerder niet alsnog geloofwaardig geacht, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.[2] Eiser heeft op verschillende punten ongerijmd, vaag en innerlijk tegenstrijdig verklaard. Hij heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin[3] en loopt bij gedwongen terugkeer naar Jordanië geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.[4] Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser krijgt een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaren.
Wat voert eiser aan in beroep?
  1. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert, kort samengevat en voor zover relevant, aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen originele documenten heeft overgelegd, maar alleen kopieën daarvan. Eiser wilde het originele document van de vredesverklaring bij het aanmeldgehoor indienen, maar hiervan is alleen een kopie gemaakt, waarna het originele document aan eiser is teruggegeven. Dat verweerder hierdoor de vredesverklaring niet op echtheid heeft kunnen onderzoeken, mag eiser niet worden tegengeworpen. Op 6 februari 2025 zijn eiser originele documenten gestolen uit zijn kamer.[5] Met de vredesverklaring heeft eiser zijn asielrelaas onderbouwd en bovendien is het in lijn met wat uit openbare informatie bekend is over de praktijk van het sluiten van vredesovereenkomsten in Jordanië. Eiser heeft een rapportage van Vluchtelingenwerk Nederland over het stamrecht in Jordanië bijgevoegd. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn standpunt handhaaft dat zijn vriend en eiser niet in elkaars (stam)gebied wonen en dat vredesverklaringen normaliter slechts van toepassing zijn op stammen uit hetzelfde gebied. Dit is een subjectief oordeel en bovendien is verweerder niet gemotiveerd ingegaan op de zienswijze en de correcties en aanvullingen op dit punt, waarin eiser heeft uitgelegd dat zij niet zo ver uit elkaar woonden en dat de boerderijen van de families zelfs dicht bij elkaar lagen, zozeer dat de families elkaar dagelijks zagen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
  1. De rechtbank stelt voorop dat, als een asielmotief niet voldoende kan worden onderbouwd met objectieve bewijsstukken, verweerder de geloofwaardigheidstoets toepast om tot een oordeel te komen ten aanzien van de geloofwaardigheid van een asielmotief. In dat geval toetst verweerder aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 om de geloofwaardigheid van een asielmotief te beoordelen.[6] Daarbij moeten alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld.[7]
5.1. De rechtbank stelt vast dat eiser bij het aanmeldgehoor een origineel document van de vredesverklaring heeft overgelegd, waarvan een kopie is gemaakt waarna het aan eiser is teruggeven.
5.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare documenten, omdat hij slechts een kopie van de vredesverklaring heeft overgelegd die niet op echtheid kan worden onderzocht. Daarom heeft verweerder het asielmotief getoetst aan artikel 31, zesde lid, van de Vw.[8] Verweerder heeft erop gewezen dat het aan eiser is om zijn asielmotief te onderbouwen met originele documenten. Het kan verweerder niet worden verweten dat hij niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, omdat hij niet beschikte over het originele document. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet.
5.3. Op zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat eiser bij het aanmeldgehoor is gewezen op een brochure, waarin is uitgelegd hoe relevante (originele) documenten moeten worden ingeleverd bij Bureau Documenten. Dat eiser dit vervolgens niet heeft gedaan, komt voor rekening en risico van eiser, aldus verweerder.
5.4. De rechtbank stelt vast dat uit het verslag van het aanmeldgehoor niet volgt dat eiser er uitdrukkelijk op is gewezen dat het originele document van de vredesverklaring – nadat het al was overgelegd en gekopieerd – ook aangetekend had moeten worden verstuurd naar Bureau Documenten. Er lijkt eerder te worden gesuggereerd dat het om andere documenten gaat. In het verslag van het aanmeldgehoor[9] staat:
"Opmerking rapporteur: Ik zal een kopie maken van deze vredesverklaring, het originele document geef ik terug aan betrokkene. Betrokkene verklaard dat dit document te maken heeft met zijn asielmotief.
Indien er relevante documenten zijn die u later nog wilt overleggen, bijvoorbeeld documenten die uw identiteit of uw asielrelaas kunnen onderbouwen, doet u dit dan zo spoedig mogelijk. Hoe u dit kunt doen, staat beschreven in de brochure 'Hoe levert u uw documenten in".
5.5. Dat dit op andere documenten slaat, heeft verweerder niet weersproken. Ook heeft verweerder niet weersproken dat originele documenten in de praktijk worden ingenomen bij het aanmeldgehoor als ze relevant zijn voor de onderbouwing van een asielmotief, zoals de gemachtigde van eiser op zitting heeft betoogd.
5.6. De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien waarom het originele document niet is ingenomen bij het aanmeldgehoor dan wel dat eiser er niet uitdrukkelijk op is gewezen dat hij dit document alsnog moet versturen naar Bureau Documenten. Dat de kopie van dit document niet op echtheid kan worden beoordeeld, komt daarom voor rekening en risico voor verweerder. Gelet hierop moet worden uitgegaan van de echtheid van dit document. Dit stuk onderbouwt het asielrelaas van eiser. Verweerder is daarom van een onjuist toetsingskader uitgegaan. Dit is een gebrek in de besluitvorming. Het beroep is reeds daarom gegrond.
  1. Daarbij merkt de rechtbank verder nog op dat zij het inhoudelijke standpunt van verweerder over de vredesverklaring op twee punten evenmin niet kan volgen.
6.1. Het gaat daarbij in de eerste plaats om het standpunt van verweerder dat eisers verklaringen over het vredesakkoord niet worden gevolgd, omdat deze niet in lijn zijn met wat bekend is over het stamrecht in Jordanië. Bij toepassing van het stamrecht in Jordanië worden personen verbannen naar 'een ander geografisch gebied' binnen het grondgebied van Jordanië. Dit volgt volgens verweerder uit een artikel Jalwa in Jordan: Customary Law and Legal Reform van 10 december 2013. Hieruit leidt verweerder af dat personen niet worden verbannen naar een gebied buiten Jordanië, zoals eiser stelt.
6.2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat op grond van het stamrecht vredesverklaringen worden opgesteld in Jordanië. Dat een verbanning op grond van dit stamrecht is beperkt tot Jordanië en niet plaatsvindt buiten Jordanië volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de door verweerder aangehaalde informatie. Uit deze informatie en uit de door eiser bij zijn zienswijze overgelegde informatie volgt namelijk dat een verbanning gedurende de vaststelling van een overeenkomst tussen de betrokken stammen naar een ander geografisch gebied in Jordanië plaatsvindt om onderlinge wraakacties te voorkomen, in afwachting van een overeenkomst die tussen de stammen wordt gesloten en de straf die daarbij eventueel wordt opgelegd. Dat een persoon vervolgens als straf niet kan worden verbannen naar het buitenland, volgt daar niet uit. Ook op dit punt is het standpunt van verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende gemotiveerd. Daarbij is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij in afwachting van de uitkomst van de onderhandelingen tussen de stammen naar [plaats] is gegaan, waar hij drie maanden is gebleven. Nadat de stammen op 26 februari 2023 een vredesverklaring hebben afgesloten, is eiser nadat hij een visum heeft geregeld vertrokken naar het buitenland.
6.3. In de tweede plaats kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vriend en hij in hetzelfde (stam)gebied woonden en dat het gebruikelijk is dat vredesverklaringen alleen van toepassing zijn op stammen uit hetzelfde gebied.
6.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. In het nader gehoor[10] heeft eiser op de vraag hoe hij zijn vriend kende, het volgende verklaard: "*[naam] was mijn buurjongen. Hij kwam vaak als ik bij de boerderij was bij mij langs. Hij was mijn buurjongen bij de boerderij en dus niet bij mijn huis. Wij hebben een huis en een boerderij".*Over de afstand vanuit de woonplaats van eiser naar de plaats waar zijn vriend woonde heeft eiser verklaard[11]: "*Het is ongeveer een halfuur met de auto".*In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft eiser verklaard dat het huis van de familie van zijn vriend ongeveer een halfuur met de auto van zijn woonplaats ligt en dat de boerderijen van beide families dicht bij elkaar lagen en de woonhuizen verder uit elkaar. Dit heeft eiser in zijn zienswijze herhaald, met de aanvulling dat de woonhuizen ook niet heel ver uit elkaar lagen. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn standpunt, zoals onder rechtsoverweging 7.3 is verwoord, in het bestreden besluit handhaaft zonder daarbij gemotiveerd in te gaan op wat eiser in zijn zienswijze en de correcties en aanvullingen heeft verklaard, namelijk dat zij niet zo ver uit elkaar woonden en dat de boerderijen van de families zelfs dicht bij elkaar lagen, zozeer dat de families elkaar dagelijks zagen.
6.5. Daarnaast volgt de rechtbank eiser in zijn betoog dat het oordeel van verweerder over hoe groot een (stam)gebied is, onvoldoende concreet volgt uit de overgelegde informatie. Hieruit blijkt niet dat dit per definitie bepaalde gemeentelijke of plaatselijke grenzen volgt. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het stamrecht niet van toepassing kan zijn op de situatie van eiser.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit op verschillende punten in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De overige door eiser aangevoerde gronden behoeven geen verdere bespreking. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op eisers asielaanvraag en daarbij rekening houden met deze uitspraak.[12]
7.1. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van €1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de aangifte van 7 maart 2023 van eiser bij de politie over dit incident.
Stap 2b van de Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
Vgl. de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
Conform stap 2b van het stappenplan in Werkinstructie 2024/6.
Pagina 5.
Pagina 9.
Pagina 23.
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). - - - ## Voetnoten
Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de aangifte van 7 maart 2023 van eiser bij de politie over dit incident.
Stap 2b van de Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
Vgl. de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
Conform stap 2b van het stappenplan in Werkinstructie 2024/6.
Pagina 5.
Pagina 9.
Pagina 23.
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).