Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:25476 - Rechtbank Den Haag - 19 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:2547619 december 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27404
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. drs. A. Hol),
en
de minister van Asiel en Migratie
    <footnoteReference id="_15c6618a-e33e-4f14-8d9c-2f2456f2b69c">[1]</footnoteReference>, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Aly).
  1. Deze zaak gaat over een vrouw uit Colombia die in Nederland asiel heeft aangevraagd. Zij heeft asiel gevraagd omdat haar zoon al jarenlang problemen heeft door zijn drugsverslaving en dat zorgt voor een onhoudbare situatie. Die situatie is in strijd met artikel 3 van het EVRM[2]. In dit artikel staat dat niemand mag worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.

Procesverloop

  1. Eiseres heeft op 26 november 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 25 juni 2024 afgewezen als ongegrond en een terugkeerbesluit opgelegd.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 10 november 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
  1. Eiseres komt uit Colombia. Zij stelt dat zij al ruim vijftien jaar te maken heeft met verslavingsproblematiek van haar zoon. Haar zoon kwam in contact met Venezolaanse drugshandelaren waarbij hij de schuld niet kon afbetalen en die hem mishandelden. Haar zoon vroeg eiseres om geld en nam haar spullen mee om zijn schulden af te betalen. Haar zoon is zowel verbaal als fysiek agressief tegen haar. Zij vreest voor haar zoon en voor de Venezolanen, omdat zij haar zoeken vanwege de schulden van haar zoon. Eiseres geeft aan dat zij op verschillende plekken in Colombia heeft gewoond, maar dat haar zoon haar steeds weet te vinden. Er ontstaan dan weer problemen met Venezolanen omdat haar zoon in hetzelfde patroon vervalt en nieuwe schulden maakt. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij problemen heeft met haar ex-partner, maar dat zij niet voor hem vreest bij terugkeer. Hij is niet de reden voor haar vertrek uit Colombia.
Wat staat er in het bestreden besluit?
  1. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  1. identiteit, nationaliteit en herkomst.
Daarnaast bevat het asielrelaas de volgende overige elementen die niet zijn aangeduid en getoetst als relevante elementen:
  1. problemen met zoon;
  1. problemen met Venezolanen;
  1. problemen met ex partner.
4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De overige elementen zijn ook geloofwaardig, maar niet te herleiden tot een van de verdragsgronden en vallen niet in de categorie ernstige schade. Verweerder onderbouwt dit als volgt. Dat haar zoon verslaafd is en problemen ondervindt met dealers is geen reden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade. Verweerder stelt dat eiseres zich elders in Colombia zou kunnen vestigen. Als zij elders zou gaan wonen, hoeft zij niet met de problemen van haar zoon en de gevolgen daarvan te worden geconfronteerd. Ook valt niet in te zien waarom de autoriteiten eiseres niet zouden kunnen helpen. Uit nieuwsbronnen en landeninformatie volgt dat Colombiaanse autoriteiten optreden tegen drugsgeweld en dat er individuele beschermingsmaatregelen worden genomen. De problemen met haar ex-partner zijn niet meegenomen bij de beoordeling, omdat eiseres heeft verklaard dat deze problemen niet de aanleiding waren om Colombia te verlaten. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie recht geeft op een verblijfsvergunning asiel.[3] Daarbij heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd.[4]

De bespreking van de beroepsgronden

  1. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van haar aanvraag.
5.1. Het geschil concentreert zich op twee vragen. Ten eerste, vormen de problemen van eiseres met haar zoon en de Venezolanen een reëel risico voor ernstige schade? Ten tweede, kan de afwijzing van de asielaanvraag standhouden in het licht van artikel 8 van het EVRM, dat onder meer het recht op privéleven waarborgt?
Loopt eiseres een reëel risico op een onmenselijke behandeling?
  1. Eiseres voert in beroep aan dat verweerder haar problemen ten onrechte als onvoldoende zwaarwegend heeft aangemerkt. De problemen met haar zoon vanwege zijn verslavingsproblematiek en de Venezolaanse drugsbendes leiden tot een onhoudbare en onmenselijke situatie. Dit vormt een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. De problemen zullen bij terugkeer naar Colombia onverminderd voortduren. De autoriteiten in Colombia bieden geen bescherming. De politie heeft de drugscriminaliteit niet onder controle en vreest wraak van de bendes. Haar familie is al om deze redenen ondergedoken of naar Portugal gevlucht.
6.1. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de problemen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, niet ernstig genoeg zijn voor een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM. De problemen met haar zoon zijn vervelend, maar niet ernstig genoeg voor bescherming onder artikel 3 van het EVRM.
6.2. Uit de verklaringen van eiseres zelf blijkt dat de kern van de problematiek is gelegen in de band met haar zoon. Dit is geen directe, ernstige bedreiging voor eiseres persoonlijk.
6.3. Hoewel eiseres stelt dat zij vreest voor mishandelingen door haar zoon, volgt uit haar verklaringen dat het werkelijke probleem anders is. In het nader gehoor[5] verklaart eiseres dat zij nooit hulp heeft gezocht voor de mishandelingen door haar zoon. Zij gaf hiervoor als reden dat je in Colombia bewijs moet overleggen en aangifte moet doen. Toen de hoormedewerker vervolgens zei dat dit ook in Nederland geldt, antwoordde eiseres dat de oplossing is dat haar zoon alleen voor zijn problemen moet zorgen. Eiseres heeft meerdere keren verklaard dat zolang zij in Colombia is, er geen oplossing komt voor haar zoon. Eiseres zegt dat het tijd is dat haar zoon zelf zijn leven op orde krijgt, zonder haar hulp of steun. Dit strookt niet met een acute vrees voor haar zoon.
6.4. Eiseres zegt dat zij ook vreest voor de Venezolaanse drugsbende. Dit was volgens haar de reden om weg te gaan. De rechtbank volgt dit niet, nu eiseres zelf stelt dat zij enkel in problemen kwam met de Venezolanen wanneer haar zoon problemen had vanwege schulden.[6] Eiseres stelt dat zolang zij in Colombia is, er geen oplossing komt voor de problemen van haar zoon.[7] De gestelde vrees voor de Venezolaanse drugsbende hangt onlosmakelijk samen met de problemen van haar zoon. Dit leidt niet tot de conclusie dat eiseres zelf risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.
6.5. Bovendien is niet gebleken van een actuele vrees die direct verband houdt met het vertrek van eiseres. Eisers heeft verklaard dat de problemen reeds jarenlang bestonden[8], zonder dat dit eerder aanleiding was om Colombia te verlaten. Dit duidt erop dat de motivatie voor het vertrek veeleer gelegen is in de wens om aan de problematische familiesituatie te ontsnappen, dan in een concrete en actuele dreiging.
6.6. Eiseres stelt dat de Colombiaanse politie haar niet kan beschermen tegen de Venezolaanse drugsbendes, maar dit is onvoldoende onderbouwd. Sterker nog, uit haar eigen verklaringen komt naar voren dat de politie na een melding binnen enkele minuten ter plaatse was.[9] Dit duidt op een functionerende en bereidwillige politiemacht. Algemeen toegankelijke landeninformatie en nieuwsbronnen bevestigen dit beeld.[10] Hieruit blijkt dat autoriteiten in Colombia, met name in grotere steden, actief optreden tegen drugsgeweld en dat er beschermingsmaatregelen beschikbaar zijn. Zo kan aangifte worden gedaan van bedreiging of afpersing en er wordt in bepaalde gevallen ook actie ondernomen door de politie. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken waarom zij in haar specifieke geval geen aangifte zou kunnen doen of waarom de autoriteiten haar geen bescherming zouden willen of kunnen bieden. De enkele stelling dat dit niet mogelijk is, zonder nadere onderbouwing, is daartoe onvoldoende.
6.7. Tot slot is niet gebleken dat eiseres zich niet elders in het land van herkomst kan vestigen, buiten de directe nabijheid van haar zoon. Door zich elders te vestigen kan zij zich onttrekken aan de problemen die zij stelt te ondervinden. Niet blijkt dat eiseres vreest dat de Venezolanen haar zouden vinden. Zo verklaart eiseres in het aanvullend gehoor dat zij haar niet zouden vinden als zij bij haar moeder verbleef.[11] Hierbij gaat het dus vooral om haar zoon die haar weet te vinden en steeds opnieuw in de problemen komt met Venezolaanse drugsdealers. Het is echter aan eiseres om elders te gaan wonen als zij de confrontatie met de gestelde problemen en de gevolgen daarvan wil vermijden. Zij stelt wel dat zij bij familie is gaan wonen om te ontkomen van de problemen van haar zoon, maar zij gaf aan dat hij haar makkelijk heeft kunnen vinden. Niet is gebleken dat eiseres heeft geprobeerd om elders te wonen waar haar zoon haar niet kon vinden.
6.8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er een inbreuk op het privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM?
  1. Eiseres voert verder aan dat de afwijzing van haar asielaanvraag een schending oplevert van haar recht op eerbiediging van het privéleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM. Ter onderbouwing van haar standpunt voert zij aan dat zij inmiddels drie jaar in Nederland verblijft in afwachting van de uitkomt van haar asielprocedure. Gedurende deze periode werkt zij als leidinggevende bij een schoonmaakbedrijf en levert ze een nuttige bijdrage aan de Nederlandse samenleving en economie. Verder stelt eiseres dat zij sociale banden heeft opgebouwd. Zij gaat naar de kerk en heeft een vriendenkring. Eiseres ervaart in Nederland een zekere mate van rust, doordat zij niet langer dagelijks in angst hoeft te leven om wat er met haar zoon gebeurd.
7.1. De rechtbank volgt dit betoog niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens[12], kan enkel tijdsverloop en de opbouw van een sociaal en economisch leven in het gastland gedurende de asielprocedure in beginsel niet leiden tot de conclusie dat uitzetting een schending van artikel 8 van het EVRM zou opleveren. Voor een succesvol beroep op het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is vereist dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden (exceptional circumstances). Van dergelijke omstandigheden is niet snel sprake en de bewijslast hiervoor ligt bij de vreemdeling.
7.2. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, hoewel voor haar persoonlijk van groot belang, op zichzelf en in onderlinge samenhang niet kunnen worden gekwalificeerd als uitzonderlijk in de zin van de hiervoor genoemde jurisprudentie. Het verblijf van drie jaar in afwachting van een procedure, het verrichten van arbeid en het opbouwen van sociale contacten zijn gevolgen die inherent zijn aan het doorlopen van een asielprocedure in Nederland. Deze omstandigheden maken de situatie van eiseres niet dermate onderscheidend van die van vele andere vreemdelingen in een vergelijkbare positie, dat om die reden van uitzetting moet worden afgezien.
7.3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om te kunnen spreken van uitzonderlijke omstandigheden die een succesvol beroep op artikel 8 van het EVRM rechtvaardigen. De afwijzing van de asielaanvraag levert derhalve geen schending op van het recht op privéleven. De beroepsgrond slaagt niet.

Wat is de conclusie?

  1. De rechtbank concludeert dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
8.1. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
P. 9 Nader gehoor.
P. 8 Nader gehoor.
P. 10 Nader Gehoor.
P. 9 en 10 Nader Gehoor.
P. 15 Nader Gehoor en p. 16 Aanvullend gehoor.
P. 94 e.v. Algemeen Ambtsbericht van Colombia van juni 2024.
P. 19 Aanvullend gehoor.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1085, ro.3,1 en paragrafen 78 en 79 van het arrest van het EHRM van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204, no. 47017/09. - - - ## Voetnoten
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
P. 9 Nader gehoor.
P. 8 Nader gehoor.
P. 10 Nader Gehoor.
P. 9 en 10 Nader Gehoor.
P. 15 Nader Gehoor en p. 16 Aanvullend gehoor.
P. 94 e.v. Algemeen Ambtsbericht van Colombia van juni 2024.
P. 19 Aanvullend gehoor.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1085, ro.3,1 en paragrafen 78 en 79 van het arrest van het EHRM van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204, no. 47017/09.