Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:25457 - Rechtbank Den Haag - 23 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2025:25457•23 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.57890 (beroep) en NL25.57891 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , verzoeker en eiser (hierna: eiser)
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank beoordeelt ook het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1996. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk wordt geacht voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder heeft aan de zitting deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waarover gaat deze uitspraak?
- De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft hoeven nemen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel komt.
Wat houdt het bestreden besluit in?
- De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
[1] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een overnameverzoek gedaan op 10 november 2025. Spanje heeft dit verzoek op 13 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
I__s het onzorgvuldig dat verweerder geen uitstel heeft verleend voor het indienen van de zienswijze?__
- Eiser voert aan dat de gemachtigde niet in de gelegenheid is gesteld om naar behoren rechtsbijstand te bieden, nu zij drie keer heeft verzocht om uitstel om de zienswijze in te dienen. Zij heeft eiser niet kunnen spreken nu zij niet wist waar hij zich bevond. Eiser is namelijk meermaals overgeplaatst naar verschillende opvanglocaties. Nu de overdrachtstermijn ver in de toekomst ligt en niet is in te zien waarom verweerder de gevraagde uitstel niet heeft geboden, is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen.
4.1. De rechtbank is met eiser van oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, zij het om een andere reden. In het voornemen heeft verweerder aan eiser de termijn gegeven om tot 27 november 2025 een zienswijze in te dienen. Het bestreden besluit is al genomen op 25 november 2025, voor het aflopen van de termijn. Het bestreden besluit bevat daarom een zorgvuldigheidsgebrek. Verweerder heeft dat ter zitting ook erkend. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft aangevoerd wat hij nog extra naar voren had willen brengen in een aanvullende zienswijze en ook in beroep heeft hij zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje kenbaar kunnen maken. Gesteld noch gebleken is dat eiser in zijn belangen is geschaad. Om die reden zal de rechtbank het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder ten aanzien van Spanje mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
- Eiser betoogt dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en toegang tot de asielprocedure. Deze tekortkomingen hebben de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt, waardoor sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.
[2] Eiser verwijst naar het meest recente AIDA-rapport van 30 april 2025: 'Country report: Spain (2024 update)'. Eiser wijst op een artikel van de Groene Amsterdammer van 2 juli 2025 waaruit volgt dat afgewezen asielzoekers twee jaar clandestien in Spanje moeten verblijven om legaal te kunnen worden. Ook wijst eiser op een artikel van de website InSpanje.nl van 17 juni 2024, waaruit volgt dat Spanje zich onderaan bevindt aan de lijst van Europese landen als het gaat om het verlenen van internationale bescherming, er een gebrek is aan de beschikbare afspraken voor asielaanvragen en het verkrijgen van basisrechten. Ook wordt er gewaarschuwd voor de effecten van het nieuwe Europese Migratie - en Asielpact. Eiser verwijst naar een uitspraak van de deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 18 juli 2025, waaruit volgt dat verweerder een standpunt dient in te nemen over de relevantie van de verklaringen van eiser.[3]
5.1. De rechtbank stelt voorop dat er in beginsel ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit uitgangspunt wordt bevestigd door vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals bijvoorbeeld de uitspraken van 25 november 2025[4] en 3 februari 2025[5] . Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er in dit geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bovendien betrekt de Afdeling in de uitspraak van 25 november 2025 het meest recente AIDA-rapport en concludeert de Afdeling dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten dan volgt uit de landeninformatie die is betrokken in de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2021[6] , van 27 juli 2023[7] en van 24 juni 2024[8] . Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen en de asielprocedure, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling. Ook de overige bronnen die eiser noemt zijn onvoldoende om tot de conclusie te komen dat er sprake is van structurele tekortkomingen. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waar eiser zich op beroept, heeft de Afdeling bovendien vernietigd.[9] Mocht eiser in Spanje toch problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor wenden tot de (hogere) Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Spaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder eisers asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?
- Eiser voert aan dat verweerder zijn asielaanvraag in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser kan niet goed zien en is daarnaast in Spanje mishandeld. Ook is zijn hand gebroken door de politie en hij heeft geen vertrouwen in het rechtssysteem. Eiser is valselijk beschuldigd van diefstal. Overdracht zal leiden tot onevenredige hardheid. Verweerder had de verklaringen van eiser moeten betrekken bij de vraag of hij kan worden overgedragen. In het besluit heeft verweerder niet gemotiveerd of deze omstandigheden zijn aan te merken als bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Daarnaast heeft het standpunt van verweerder dat de vreemdelingen in Spanje medische zorg zullen krijgen enkel betrekking op de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en niet op de beoordeling van artikel 17 Dublinverordening.
6.1. Met betrekking tot het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening, overweegt de rechtbank dat ervan uitgegaan moet worden dat het voor eiser mogelijk is om in Spanje bescherming te krijgen. Wat eiser heeft aangevoerd over gestelde negatieve ervaringen in Spanje en zijn gestelde maar eveneens niet onderbouwde medische problematiek is niet voldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Spanje.
7.1. Nu de rechtbank uitspraak doet op eisers beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
7.2. Nu sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit dat is gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, bestaat er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814, - omdat eisers gemachtigde een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 907, - aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 907, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Doorman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
ECLI:NL: RBDHA:2025:13134
ECLI:NL:RVS:2025:5661.
ECLI:NL:RVS:2025:381.
ECLI:NL:RVS:2021:1481.
ECLI:NL:RVS:2023:2880.
ECLI:NL:RVS:2024:2548.
ECLI:NL:RVS:2025:5514. - - - ## Voetnoten