Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:25450 - Rechtbank Den Haag - 22 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:2545022 december 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60640
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
  1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon - of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1. Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel niet betwist. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
  1. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het toepassen van een lichter middel. Daartoe voert eiser aan dat in de periode tussen de aan hem opgelegde maatregel op grond van artikel 56 van de Vw en de inbewaringstelling van 9 december 2025 geen relevante wijzigingen in de omstandigheden hebben plaatsgevonden en eiser zich onverkort heeft gehouden aan het gebiedsverbod, zodat voortzetting van het lichtere middel geboden was.
2.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat eiser de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel niet heeft betwist en dat uit deze niet bestreden gronden, in onderling verband en samenhang bezien, een significant risico op onttrekking voortvloeit. Dat er geen wijzigingen in de omstandigheden hebben plaatsgevonden na het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vw, neemt dat significante risico op onttrekking onvoldoende weg. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser op 11 september 2025 is geregistreerd als zijnde 'met onbekende bestemming' vertrokken en zich pas na twee maanden weer heeft gemeld, en dat het voeren van vertrekgesprekken, de meldplicht en de vrijheidsbeperkende maatregel niet hebben geleid tot het vertrek van eiser. Eiser heeft voorafgaand aan zijn inbewaringstelling geen kenbare handelingen verricht om terugkeer naar Oostenrijk te bewerkstelligen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
  1. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
  1. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.