Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:25441 - Rechtbank Den Haag - 29 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:2544129 december 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51321
**[eiser 1],**v-nummer: [nummer 2],
**[eiseres 2],**v-nummer: [nummer 3],
**[eiser 2],**v-nummer: [nummer 4],
**[eiser 3]**v-nummer: [nummer 5],
**[eiseres 3],**v-nummer: [nummer 6],
**[eiser 4],**v-nummer: [nummer 7],
eisers
(gemachtigde: mr. E. Derksen)
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
  1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit op bezwaar van
17 december 2024 dat is genomen nadat deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eisers tegen het eerdere besluit op bezwaar gegrond heeft verklaard en dit besluit heeft vernietigd.[1] Met het besluit van 17 december 2024 is de minister gebleven bij de afwijzing van de aanvragen van eisers om wijziging van een geldige verblijfsvergunning naar een ander verblijfsdoel, namelijk het verblijfsdoel 'humanitair niet tijdelijk' ([eiseres 1]) en het verblijfsdoel 'familie en gezin' (de overige eisers). Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

  1. Eisers hebben aanvragen ingediend om wijziging van een geldige verblijfsvergunning naar een ander verblijfsdoel, namelijk het verblijfsdoel 'humanitair niet tijdelijk' (voor [eiseres 1]) en het verblijfsdoel 'familie en gezin' (voor de overige eisers). De minister heeft de aanvragen met het primaire besluit van 21 april 2022 afgewezen. Met het besluit van 10 februari 2023 heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Het beroep dat eisers tegen het besluit van 10 februari 2023 hebben ingesteld, heeft deze zittingsplaats bij uitspraak van 30 augustus 2024 gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 10 februari 2023 vernietigd. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van eisers beslist en dit bezwaar wederom ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.
2.1. De rechtbank heeft de minister verzocht om uiterlijk op 26 juni 2025 een verweerschrift in te dienen en daarbij gewezen op een groot aantal punten waarop zij een toelichting wenst van de zijde van de minister. Op 28 juni 2025 hebben eisers hun beroep nader toegelicht. Op 3 juli 2025 heeft de minister een verweerschrift ingediend.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de relevante verblijfsrechtelijke aspecten?
  1. Op 16 december 2021 hebben eisers de onderhavige aanvragen ingediend, toen het einde van de geldigheid van hun diplomatieke verblijfskaarten in zicht kwam. Deze aanvragen zijn bij primair besluit van 21 april 2022 afgewezen omdat eisers niet beschikten over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij volgens de minister niet in aanmerking kwamen voor vrijstelling van het vereiste om over een geldige mvv te beschikken. Met ingang van 7 december 2022 is aan eisers uitstel van vertrek verleend voor de duur van één jaar vanwege de medische situatie van [eiseres 3]. Bij besluit van 10 februari 2023 is het bezwaar van eisers tegen het besluit van 21 april 2022 ongegrond verklaard. Daarin is opgenomen dat [eiseres 3] wel, maar de overige eisers niet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste en [eiseres 3] niet voor vergunningverlening in aanmerking komt.
3.1. Aan eisers (met uitzondering van [eiser 1], die op dat moment niet langer in Nederland verbleef) is met ingang van 7 december 2023, voor de duur van vijf jaar, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend vanwege de medische situatie van [eiseres 3]. [eiseres 3] is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel 'medische behandeling'. De overige eisers (behalve [eiser 1]) zijn in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel 'verblijf als familie - of gezinslid' bij [eiseres 3], met de arbeidsmarktaantekening 'Arbeid niet toegestaan'.
In het kader van het eerdere beroep heeft de minister op de zitting van 28 juni 2024 het (gewijzigde) standpunt ingenomen dat alle eisers (met uitzondering van [eiser 1]) met ingang van 7 december 2022 zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Wat oordeelde deze zittingsplaats in de uitspraak van 30 augustus 2024?
  1. In de uitspraak van 30 augustus 2024 kwam deze zittingsplaats, samengevat weergegeven en voor zover voor de beoordeling van het onderhavige beroep van belang, tot de volgende constateringen, conclusies en oordelen:
Welk standpunt neemt de minister in het bestreden besluit in?
  1. In het bestreden besluit verklaart de minister het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond. Daarbij verwijst de minister allereerst naar het primaire besluit waarbij de aanvragen van eisers zijn afgewezen, omdat zij niet over een geldige mvv beschikten en niet was gebleken dat zij van dat vereiste konden worden vrijgesteld. Het bezwaar van eisers leidt volgens de minister om de volgende redenen niet tot een ander besluit.
5.1. [eiseres 3], [eiseres 2], [eiser 2], Atiq, [eiseres 1] en [eiser 4] zijn in het bezit gesteld van een verblijfsrecht, geldig van 7 december 2023 tot 7 december 2028. Daarom zijn zij vrijgesteld van het mvv-vereiste. Om die reden wordt beoordeeld of zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het gevraagde verblijfsdoel 'familie - en privéleven op grond van artikel 8 EVRM'. Omdat zij in het bezit zijn van een verblijfsvergunning, wordt de uitoefening in Nederland van hun familie - en privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM beschermd, zodat de afwijzing van de aanvragen geen schending oplevert van het bepaalde in dat artikel. Dat het verblijfsrecht dat eisers nu hebben verschilt van een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM en geen recht geeft om te werken, maakt die conclusie niet anders omdat artikel 8 van het EVRM slechts tot doel heeft het familie - en privéleven te beschermen. Dat wordt op dit moment beschermd. Artikel 8 van het EVRM geeft geen aanspraak op een bepaald type verblijfsvergunning als wordt voldaan aan de voorwaarde dat het familie - en privéleven ongehinderd kan worden uitgeoefend.[2] [eiser 1] is nog altijd mvv-plichtig.[3] Afwijzing van de aanvraag van [eiser 1] is niet in strijd met zijn recht op respect voor familie - en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. [eiser 1] heeft Nederland verlaten en heeft per november 2022 zijn hoofdverblijf verplaatst naar de Verenigde Staten. Dat betekent dat [eiser 1] sindsdien geen familie - of privéleven meer uitoefent in Nederland, zodat daarom al geen reden bestaat om te beoordelen of hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De onderhavige aanvraag is bovendien bedoeld voor vreemdelingen in Nederland die een aanvraag voor een verblijfsvergunning zonder mvv indienen. Voor zover [eiser 1] nog gezinsleven uitoefent, wordt dit op afstand ingevuld en is niet gebleken dat dat niet langer mogelijk is. De aanvraag van [eiser 1] is dan ook terecht afgewezen vanwege het mvv-vereiste. Daarmee komt de minister tot de conclusie dat de afwijzing van de aanvragen van eisers niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
5.2. Voor wat betreft [eiser 1] voegt de minister daar nog aan toe dat de afwijzing van zijn aanvraag vanwege het mvv-vereiste niet onredelijk hard is. Bovendien kan [eiser 1] een aanvraag voor een mvv of verblijfsvergunning vanuit het buitenland opstarten. Ook komt [eiser 1] niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Redenen om in afwijking van de beleidsregels de aanvraag toch in te willigen op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht zijn er niet, aldus de minister.
5.3. In het verweerschrift licht de minister zijn standpunt als volgt nader toe. Toetsing aan artikel 8 van het EVRM vergt een ex nunc-beoordeling. In het nu bestreden besluit is daarom een volledige heroverweging gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden op het moment van het nemen van het bestreden besluit. Dat aan eisers gedurende een procedure over artikel 8 van het EVRM een verblijfsrecht is verleend op een andere grond, is een relevant nieuw feit dat wordt betrokken bij de beoordeling van de vraag of bij afwijzing van de aanvraag sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Dat op grond van dat artikel een sterker verblijfsrecht kan worden verkregen, maakt niet dat tot een toets aan dat artikel moet worden overgegaan.[4] Voorgezet verblijf, dat ook het recht geeft om te werken, kan op zelfstandige gronden worden verkregen op grond van artikel 3.51 van het Vb 2000.
5.4. Op de zitting voegt de minister daar nog het volgende aan toe. Bij een beoordeling van de vraag of eisers een verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum zouden moeten krijgen, hebben eisers geen belang. Gelet op de ex nunc-beoordeling en het verblijfsrecht dat aan eisers is verleend, is geen sprake van inmenging zodat niet wordt toegekomen aan verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Om diezelfde reden is ook de aanvraag van [eiseres 1] in het bestreden besluit niet inhoudelijk beoordeeld en is – met uitzondering van [eiser 1] – niet beoordeeld of de hardheidsclausule aanleiding geeft voor een ander besluit.
Waarom zijn eisers het niet eens met het bestreden besluit?
  1. Eisers zijn het niet met het bestreden besluit eens. De minister heeft volgens eisers ten onrechte geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van 30 augustus 2024, terwijl hij geen hoger beroep tegen die uitspraak heeft ingesteld. In het bijzonder wijzen eisers op het volgende.
6.1. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of eisers per 16 december 2021 in aanmerking komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste én verblijf. In dit verband wijzen eisers ook op de uitspraak van deze rechtbank van 5 november 2024 ten aanzien van [eiser 4], waaruit volgt dat de minister op de in het kader van die zaak gehouden zitting heeft toegelicht dat "mocht aan eiser in de toekomst een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM worden verleend, die vergunning een sterker recht geeft en het voor de hand ligt dat eiser de vergunning kan kiezen die het beste bij hem past.". [5] Verder heeft de minister ten onrechte niet beoordeeld of de aanvragen van [eiseres 2], [eiser 2] en [eiser 4] vanaf 7 december 2022 (datum vrijstelling mvv-vereiste) moeten worden ingewilligd op grond van artikel 8 van het EVRM, mede vanwege de aan de verblijfsvergunning gekoppelde arbeidsmarktaantekening. De minister heeft bovendien geen uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank voor wat betreft de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verder heeft de minister ten onrechte nagelaten te motiveren waarom geen toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule. De minister lijkt het standpunt in te nemen dat er geen procesbelang is en/of noodzaak bestaat om een inhoudelijke beoordeling aan artikel 8 van het EVRM te verrichten, terwijl dat standpunt niet aan de orde kan zijn. De minister heeft immers geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 30 augustus 2024, zodat hij gehouden is uitvoering te geven aan de opdrachten die hem in die uitspraak zijn gegeven. Daarbij komt dat de minister zelf meermaals het standpunt heeft ingenomen dat eisers belang hebben bij de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Tot slot betogen eisers dat de minister hen ten onrechte niet heeft gehoord over de huidige uitoefening van het gezinsleven met [eiser 1]. Het is onzorgvuldig om dan te concluderen dat dat gezinsleven op afstand kan worden voortgezet.
Hoe oordeelt de rechtbank?
  1. De beroepsgrond van eisers dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 30 augustus 2024, slaagt. Vaststaat dat partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen die uitspraak. De rechtbank moet in dat geval uitgaan van de juistheid van in die uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen (de kracht van gewijsde).[6] De rechtbank is van oordeel dat van zulke uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen sprake is, zoals opgesomd in overweging 4. De minister heeft niet het standpunt ingenomen dat dat niet het geval is, maar heeft het standpunt ingenomen dat hij bij het nemen van het besluit op bezwaar moest uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordeden, en overwogen dat hij vanwege (in zijn ogen) relevante nieuwe feiten anders naar de zaak van eisers is gaan kijken. Dat doet er echter niet aan af dat de minister uitvoering moet geven aan de uitspraak van 30 augustus 2024. Als de minister het met constateringen, conclusies en oordelen in die uitspraak niet eens was geweest, zoals over het belang dat eisers hebben bij een beoordeling van de door hen ingediende aanvragen, dat door de minister destijds bovendien is onderkend, lag het in de rede dat hij tegen die uitspraak een rechtsmiddel had aangewend aanwenden. Daar komt nog bij dat de nieuwe feiten en omstandigheden waarover de minister het heeft, zich al voordeden ten tijde van de zitting op 28 juni 2024 en de uitspraak van 30 augustus 2024. Ten tijde van de zitting op 28 juni 2024 waren eisers (met uitzondering van [eiser 1]) al maandenlang in het bezit van de reguliere verblijfsvergunningen.[7] Desondanks en met die wetenschap heeft de minister destijds het standpunt ingenomen dat eisers een belang hebben bij een (inhoudelijke) beoordeling van hun aanvragen. Die beoordeling is nu nog altijd niet verricht. Ook de situatie van [eiser 1] is niet nieuw, in die zin dat hij al ten tijde van de zitting op 28 juli 2024 uit Nederland was vertrokken. Bij haar oordeel in de uitspraak van 30 augustus 2024 heeft de rechtbank met die situatie rekening gehouden.
7.1. Bij het voorgaande merkt de rechtbank in het bijzonder nog op – zoals ook in de uitspraak van 30 augustus 2024 meermaals is gedaan – dat [eiseres 1] op 16 december 2021 geen aanvraag heeft ingediend met als verblijfsdoel 'familie en gezin', maar voor het verblijfsdoel 'humanitair niet tijdelijk'. De minister heeft die aanvraag nog altijd niet op inwilligbaarheid onderzocht. Het argument van de minister dat daaraan niet wordt toegekomen omdat aan [eiseres 1] een verblijfsvergunning is verleend voor het verblijfsdoel 'familie en gezin', volgt de rechtbank niet. Dat aan [eiseres 1] hangende een procedure (op aanvraag) een (andere) verblijfsvergunning is verleend, vanwege de gezondheidssituatie van één van haar gezinsleden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een eerder door haar ingediende aanvraag niet meer inhoudelijk op inwilligbaarheid moet worden onderzocht. Die eerdere aanvraag heeft [eiseres 1] niet prijsgegeven. Dat geldt eveneens voor de aanvragen van de andere eisers (met uitzondering van [eiser 1]). Aan hen is lopende de procedure voor een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' voor verblijf bij [eiseres 1], (op aanvraag) een verblijfsvergunning op die grond verleend voor verblijf bij [eiseres 3]. Hierin ziet de rechtbank ook een verschil met de rechtspraak waarop de minister wijst, die erop neerkomt dat artikel 8 van het EVRM niet zo ver strekt dat het een aanvrager recht geeft op een bepaald type verblijfsvergunning, op voorwaarde dat de aanvrager ongehinderd zijn of haar recht op familie - en gezinsleven en privéleven kan uitoefenen.
7.2. Dat de minister in het bestreden besluit aan de situatie van [eiser 1] enige inhoudelijke overwegingen heeft gewijd, maakt het oordeel dat de minister – ook voor wat betreft [eiser 1] – ten onrechte geen (volledige) uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 30 augustus 2024, niet anders.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank draagt de minister op om binnen zes weken en met inachtneming van de uitspraak van
30 augustus 2024 en de uitspraak van vandaag opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen. Een mogelijkheid om (vanwege herhaald onjuiste besluitvorming) zelf in de zaak te voorzien om het geschil definitief te beslechten, ziet de rechtbank niet. Daarvoor is de zaak onvoldoende duidelijk en bovendien moet de minister bijvoorbeeld nog altijd inhoudelijk op de aanvraag van [eiseres 1] beslissen. Toepassing van een bestuurlijke lus is naar het oordeel van de rechtbank hier niet passend. Wel draagt de rechtbank de minister op om deze zaak met voorrang en voortvarendheid op te pakken en uitvoering te geven aan de in rechte vaststaande uitspraak van 30 augustus 2024. Het is een langlopende kwestie waarbij bovendien minderjarige kinderen zijn betrokken. De rechtbank geeft de minister verder in overweging om, als hij wederom het standpunt wenst in te nemen dat niet gebleken is dat eventueel bestaand gezinsleven tussen [eiser 1] en (een deel van) eisers niet op afstand kan worden uitgeoefend, eisers daarover te bevragen.
8.1. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Ook moet de minister het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14340.
De minister verwijst naar EHRM 26 april 2018, Hoti tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2018:0426JUD006331114, punt 121 en EHRM 21 juni 2016, Ramadan tegen Malta, ECLI:CE:ECHR:2016:0621JUD007613612, ABRvS 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1923 en ABRvS 30 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2524.
De minister verwijst daartoe ook naar de uitspraak van 30 augustus 2024, onder 15.2.
De minister verwijst naar ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:443, overweging 14, ABRvS 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1923, overweging 2, ABRvS 17 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1060, overweging 4.2, EHRM 21 juni 2016, Ramadan tegen Malta, ECLI:CE:ECHR:2016:0621JUD007613612 en EHRM 13 oktober 2016, B.A.C. tegen Griekenland, no. CLI:CE:ECHR:2016:1013JUD001198115.
Uitspraak op het beroep van [eiser 4] tegen het besluit tot ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de arbeidsmarktaantekening die is gekoppeld aan het besluit tot inwilliging van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'familie en gezin' voor verblijf bij [eiseres 3]. Zaaknummers: NL24.29784 en NL24.5965 (niet gepubliceerd).
Zie ook ABRvS 2 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4635, onder 3.1 en ABRvS 12 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4568, onder 4.1.
Die zijn verleend op 6 november 2023 respectievelijk 20 december 2023 en 25 januari 2024. - - - ## Voetnoten
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14340.
De minister verwijst naar EHRM 26 april 2018, Hoti tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2018:0426JUD006331114, punt 121 en EHRM 21 juni 2016, Ramadan tegen Malta, ECLI:CE:ECHR:2016:0621JUD007613612, ABRvS 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1923 en ABRvS 30 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2524.
De minister verwijst daartoe ook naar de uitspraak van 30 augustus 2024, onder 15.2.
De minister verwijst naar ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:443, overweging 14, ABRvS 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1923, overweging 2, ABRvS 17 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1060, overweging 4.2, EHRM 21 juni 2016, Ramadan tegen Malta, ECLI:CE:ECHR:2016:0621JUD007613612 en EHRM 13 oktober 2016, B.A.C. tegen Griekenland, no. CLI:CE:ECHR:2016:1013JUD001198115.
Uitspraak op het beroep van [eiser 4] tegen het besluit tot ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de arbeidsmarktaantekening die is gekoppeld aan het besluit tot inwilliging van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'familie en gezin' voor verblijf bij [eiseres 3]. Zaaknummers: NL24.29784 en NL24.5965 (niet gepubliceerd).
Zie ook ABRvS 2 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4635, onder 3.1 en ABRvS 12 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4568, onder 4.1.
Die zijn verleend op 6 november 2023 respectievelijk 20 december 2023 en 25 januari 2024.