Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:25437 - Rechtbank Den Haag - 22 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2025:25437•22 december 2025
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43363
geboren op [geboortedatum] 1994, burger van de Democratische
Republiek Congo (DRC),
V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en
(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).
Procesverloop
Op 11 augustus 2025 heeft verweerder een terugkeerbesluit vastgesteld.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 oktober 2025 toegewezen (ECLI:NL:RBLIM:2025:10522, niet gepubliceerd).
Verweerder heeft op 2 december 2025 een verweerschrift uitgebracht.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk was aanwezig M. Khairi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
- Eiser behoort tot de categorie personen aan wie verweerder facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) heeft verleend en welke bescherming in het kader van de onderhavige procedure door verweerder wordt beëindigd. Eiser komt in deze procedure op tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit.
- Verweerder heeft in het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 vastgesteld dat eisers recht op tijdelijke bescherming uit hoofde van de RTB is geëindigd op 4 maart 2024. Eiser verblijft niet (langer) rechtmatig in Nederland en moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Hij moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten. Vanwege het terugkeerbesluit wordt eiser in het Schengen Informatie Systeem (SIS) gesignaleerd. In het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit is verder vermeld dat eiser ten tijde van het besluit nog onder de zogenoemde 'bevriezingsmaatregel' valt, die op 4 september 2025 zal eindigen. Omdat eiser geen openstaande beroepszaak heeft tegen de beëindiging van zijn recht op tijdelijke bescherming, betekent dit dat hij vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om te vertrekken uit de opvang en uit Nederland. Vanaf 4 september 2025 mag eiser ook niet meer werken.
- Eiser voert onder verwijzing naar de zienswijze aan dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Hij vreest bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Vanwege de oorlog die daar in volle gang is, loopt zijn leven gevaar. Daar komt bij dat hij niet in dit land is opgegroeid en geen banden met het land heeft. Het terugkeerbesluit maakt ook inbreuk op zijn recht op privéleven. Na zijn vlucht uit Oekraïne heeft hij in Nederland zijn hele bestaan opgebouwd. Hij voelt zich hier goed en vrij en heeft veel vrienden en collega's. Dit privéleven heeft hij opgebouwd in het vertrouwen dat hij in Nederland bescherming zou krijgen tot het einde van de oorlog in Oekraïne. Hij is geen overlastgever en voor hem persoonlijk levert het besluit veel schade op. Het terugkeerbesluit is daarom ook in strijd met het vertrouwensbeginsel, disproportioneel en niet evenredig.
- De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden niet slagen.
- Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft in haar uitspraken van 15 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17077, ECLI:NL:RBDHA:2025:17078, JV 2025/272 met annotatie van mr. A. Pahladsingh, en ECLI:NL:RBDHA:2025:170790) onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32) en van 23 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1829) overwogen dat het beëindigen van de onverplichte tijdelijke bescherming niet in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheids - en/of vertrouwensbeginsel en dat de beëindiging niet disproportioneel of onevenredig is.
- Eiser heeft zijn beroepsgronden dat het vertrouwensbeginsel is geschonden of dat de beëindiging disproportioneel en/of onevenredig is op geen enkele wijze onderbouwd en de rechtbank ziet overigens geen aanleiding om thans anders te oordelen dan in de bovengenoemde uitspraken van 15 september 2025. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank die is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2025:17079 op 15 september 2025 heeft bevestigd met een zogenoemde 91.2 Vw-motivering. De Afdeling publiceert dit soort 'kale bevestigingen' niet, maar de gemachtigde van eiser is hiervan wel op de hoogte omdat zij ook de derdelander in die procedure in eerste aanleg heeft vertegenwoordigd en doordat de rechtbank hier ook op heeft gewezen in haar uitspraak van 24 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22109).
- De rechtbank heeft in de drie op 15 september 2025 gedane uitspraken tevens overwogen dat de rechtbank de bevriezingsregeling aanmerkt als een collectieve uitstel van vertrekregeling. Uit de bovengenoemde bevestiging door de Afdeling blijkt dat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moesten worden. De rechtbank gaat er van uit dat indien de rechtbank de bevriezingsregeling ten onrechte als niet onverenigbaar met het Unierecht had aangemerkt, de Afdeling de uitspraak van de rechtbank zou hebben vernietigd. In dat geval had immers geen vaststelling van illegaal verblijf kunnen plaatsvinden en zou het terugkeerbesluit onrechtmatig zijn.
- Eiser heeft voorts aangevoerd dat zijn privéleven in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft weliswaar rechtmatig verblijf gehad op grond van de RTB. Dit enkele gegeven betekent niet dat het privéleven dat hij gedurende deze periode heeft opgebouwd aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staat. Verweerder is immers bevoegd om het verblijfsrecht te beëindigen en indien na een periode van rechtmatig verblijf nimmer meer een terugkeerbesluit zou kunnen worden vastgesteld, zou dit dus betekenen dat eenmaal verleend en verkregen rechtmatig verblijf nooit kan meebrengen dat dit wordt beëindigd en ten gevolge daarvan een terugkeerverplichting kan ontstaan. Een verblijfsvergunning kan evenwel ook voor bepaalde tijd gelden, bijvoorbeeld indien voorwaarden aan de verblijfsvergunning zijn gekoppeld of als de redenen voor de verlening zijn komen te vervallen. Dat door de vaststelling van het terugkeerbesluit een terugkeerverplichting voor eiser ontstaat en de DRC daarbij als land van terugkeer is aangemerkt terwijl eiser stelt niet in de DRC te zijn opgegroeid en daarom geen banden heeft met de DRC is niet relevant omdat dit niet kan afdoen aan de vaststelling dat eiser niet langer over een verblijfsrecht beschikt. Eiser kan aan zijn terugkeerverplichting voldoen door het grondgebied van de Unie te verlaten en hoeft dus niet naar de DRC te vertrekken. Indien verweerder overgaat tot de verwijdering van eiser, zal die verwijdering plaatsvinden naar de DRC. Eiser heeft namelijk de Congolese nationaliteit en verweerder heeft de DRC daarom terecht als land van terugkeer vermeld. Het hebben van de nationaliteit van een derde land veronderstelt een band met dit derde land en door het hebben van die nationaliteit is de toegang tot dat land verzekerd en komt eiser als onderdaan van dat land niet in een 'rechteloze positie' te verkeren na terugkeer.
- De beroepsgronden slagen dus niet. Zoals bij de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening is overwogen, bestaat er in de onderhavige procedure evenwel naast het beoordelen van de beroepsgronden, aanleiding om ambtshalve nader te beoordelen of het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Eiser heeft weliswaar gesteld dat 'de oorlog in de DRC nog steeds aan de gang is', maar heeft dit verder niet onderbouwd.
- De rechtbank overweegt dat de vraag of het refoulementrisico in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit een actuele beoordeling vereist, ook als er reeds een asielprocedure heeft plaatsgevonden. Ook indien eiser geen gronden aanvoert die verband houden met het beginsel van non-refoulement of indien deze gronden niet op tijd worden aangevoerd of niet zijn onderbouwd, dienen verweerder en de rechtbank, zo nodig uit eigen beweging, na te gaan of dit beginsel in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit. De verplichtingen die de Uniewetgever in artikel 5 van richtlijn 2008/115 heeft neergelegd gelden ongeacht de (proces-)houding van de illegaal verblijvende derdelander. Verweerder heeft, onder meer onder verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats, terecht aangegeven dat deze richtlijn nimmer noopt tot vergunningverlening. Dat doet echter niet af aan de omvang van de verplichtingen die uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 voortvloeien.
- Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat verweerder specifiek landgebonden beleid ten aanzien van de DRC voert. In paragraaf C7/11.4.2 Vc 2000 is opgenomen dat verweerder voor de DRC aanneemt dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri. Het ambtshalve onderzoek dient op tegenspraak plaats te vinden zodat de rechtbank de behandeling van het beroep ter zitting heeft geagendeerd om partijen in de gelegenheid te stellen om een standpunt in te nemen over de vraag of dit landgebonden beleid in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit, dan wel dat dit een nadere beoordeling vergt.
- Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat dit landgebonden beleid niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Eiser heeft verklaard te zijn geboren in Kinshasa en daar loopt eiser, ook gezien het Algemeen Ambtsbericht DRC van oktober 2021, geen risico op ernstige schade. Verweerder heeft verder opgemerkt dat eiser zijn verklaring dat zijn ouders uit Bukavu komen niet heeft onderbouwd en dit ook niet kan afdoen aan de omstandigheid dat hij zelf uit Kinshasa komt.
- Ter zitting heeft eiser weersproken dat hij uit Kinshasa komt. Hij voert aan dat hij niet in Kinshasa, maar in Zuid-Kivu geboren is. In 1994 is hij samen met zijn moeder aangekomen in Kinshasa, waar zij tot 1996 zijn gebleven. In Kinshasa hebben zij nieuwe documenten moeten aanvragen. Daarom is Kinshasa in zijn paspoort vermeld. Zijn jongere zus [voornaam zus] is, anders dan hij, wel in Kinshasa geboren.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het dossier heeft mogen concluderen dat eiser afkomstig is uit Kinshasa. Uit de tot het procesdossier behorende stukken kan niet anders worden afgeleid dan dat eiser herhaaldelijk heeft verklaard dat hij in Kinshasa is geboren en Zuid-Kivu nooit eerder als geboorteplaats genoemd heeft. Zo heeft verweerder erop gewezen dat eiser tijdens het combigehoor van 20 juni 2024 desgevraagd bevestigd heeft dat hij in Kinshasa is geboren. Verweerder heeft ook ter zitting de passage op pagina 10 van het combigehoor voorgelezen, waarin eiser het volgende verklaart:
- Zoals de rechtbank ter zitting al heeft opgemerkt vermeldt de door eiser ondertekende asielaanvraag eveneens Kinshasa als geboorteplaats. Ook de volgende passage uit de zienswijze van 5 juli 2024, waarin eiser heeft gereageerd op verweerders voornemen om zijn asielaanvraag af te wijzen als ongegrond, bevestigt dat eiser heeft verklaard dat hij in Kinshasa is geboren*:*
"Hij is weliswaar geboren in Kinshasa als kind van Congolese vluchtelingen uit de provincie Zuid-Kivu, maar voordat hij daar kon opgroeien, reeds op tweejarige leeftijd, zijn zijn ouders met hem verder gevlucht naar Gabon waar hij het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht. Feitelijk 'komt' hij dus niet uit Kinshasa. Hij is daar slechts geboren, maar niet getogen."
- Daar komt bij dat eiser geen correcties en aanvullingen heeft ingediend om de bij herhaling genoemde geboorteplaats Kinshasa te wijzigen en hij de voor het eerst ter zitting gestelde geboorteplaats in Zuid-Kivu in het geheel niet heeft onderbouwd. Ook de ter zitting gestelde omstandigheid dat eisers zus [voornaam zus] – zo is vastgelegd in het combigehoor op pagina 13, op 5 juni 1996 - in Kinshasa geboren is, sluit niet uit dat ook eiser (in 1994) in Kinshasa geboren is.
- Nu het er aldus voor gehouden kan worden dat eiser afkomstig is uit Kinshasa, concludeert de rechtbank verder dat het voor de DRC gevoerde landgebonden beleid niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staat. Alleen voor de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri wordt door verweerder een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld aangenomen. Voor Kinshasa geldt dat niet. Dat eiser, die verklaard heeft tot op 2-jarige leeftijd in Kinshasa gewoond hebben, in Kinshasa geen sociaal netwerk heeft, betekent evenmin dat het terugkeerbesluit niet genomen had mogen worden. Verweerder heeft gesteld dat eiser in Kinshasa vrij kan verblijven en daar zijn leven kan opbouwen, ook zonder de aanwezigheid van een bestaand sociaal netwerk. De rechtbank komt op grond van openbare informatie niet tot de conclusie dat in Kinshasa wel sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, dan wel dat eiser na toepassing van de zogenoemde glijdende schaal alsnog in aanmerking moet worden gebracht voor subsidiaire bescherming.
- De rechtbank concludeert dan ook dat het beginsel van non-refoulement - gelet op de feiten en omstandigheden zoals die thans bekend zijn - niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staat. De rechtbank overweegt in dit kader tot slot dat zij thans geen aanknopingspunt ziet om nader onderzoek te (doen) verrichten naar de geboorteplaats van eiser. Dit laat echter onverlet dat indien eiser zijn ter zitting afgelegde verklaringen dat hij in het vluchtelingenkamp in Kinshasa documenten heeft verkregen om te vluchten en daarom op de documenten die hij heeft Kinshasa als geboorteplaats is vermeld, nader zou kunnen onderbouwen, hij wederom een asielaanvraag zou kunnen indienen om bescherming op grond van het landgebonden beleid te vragen. De rechtbank is weliswaar verplicht om ambtshalve de naleving van het beginsel van non-refoulement te verzekeren. Deze verplichting strekt evenwel niet zover dat de rechtbank documenten voor eiser moet zien te verkrijgen. Eiser heeft ter zitting niet verklaard dat hij enige onderbouwing kan leveren voor zijn verklaringen en heeft ook niet verzocht om hem daartoe in de gelegenheid te stellen. Nu eiser bij herhaling heeft verklaard te zijn geboren in Kinshasa en de rechtbank ook niet bekend is met feitelijke mogelijkheden die eiser in staat zouden kunnen stellen om een nadere onderbouwing te leveren van zijn ter zitting afgelegde verklaring, ziet de rechtbank geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen en eiser in de gelegenheid te stellen om nadere documenten of informatie over te leggen. Voor zover sprake zou kunnen zijn van bewijsnood kan de rechtbank dit niet wegnemen door een andere procesbeslissing te nemen en komt de rechtbank ook niet tot de conclusie dat de eerst ter zitting afgelegde verklaring moet worden gevolgd. Eiser heeft op vragen van de rechtbank enkel aangegeven dat al zijn eerdere verklaringen niet goed zijn weergegeven. De rechtbank acht dit geen redelijke verklaring voor al de bovengenoemde passages in het dossier.
- Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor verblijf en de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement staan niet in de weg aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Verweerder heeft dus overeenkomstig zijn Unierechtelijke verplichtingen terecht een terugkeerbesluit vastgesteld.
- Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 december 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.