Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:25144 - Rechtbank Den Haag - 24 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2025:25144•24 december 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60221
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).
Procesverloop
- Bij besluit van 4 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 16 december 2025 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 december 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 19 december 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
- Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon - of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- Eiser wijst erop dat het proces-verbaal van binnentreden niet is geüpload. Bij gebrek aan controleerbaarheid moet volgens eiser het ervoor worden gehouden dat het binnentreden onrechtmatig is geweest. Verder blijkt uit het gehoor voorafgaande aan de vrijheidsontnemende maatregel dat eiser wordt tegengeworpen dat hij niet wil terugkeren naar Venezuela. Dit is onbegrijpelijk, omdat eiser de Libische nationaliteit heeft. Voor zover sprake is van knip - en plakwerk uit andere documenten is dit onzorgvuldig. Verder bestrijdt eiser zware grond 3a. Van een geplande inreis zonder de benodigde documenten was geen sprake. Eiser is blijkens het proces-verbaal van bevindingen bij de asielaanvraag door de Verenigde Staten de toegang geweigerd en teruggestuurd naar Amsterdam. Het ontbreken van een Schengenvisum zegt dus niets over de intenties van eiser. Ten aanzien van lichte grond 4a voert eiser aan dat deze grond feitelijk hetzelfde is als zware grond 3c en dat verweerder twee gronden baseert op hetzelfde feit. Verder heeft eiser op 2 december 2025 hoger beroep ingesteld bij de hoogste bestuursrechter
[1] en daarbij om een voorlopige voorziening verzocht. Eiser mag de voorlopige voorzieningenprocedure in Nederland afwachten. Eiser is daarom niet verwijderbaar. Daarbij heeft verweerder in strijd met eigen beleid de Afdeling niet verzocht om het verzoek zo spoedig mogelijk te behandelen.
- De rechtbank overweegt als volgt.
- Verweerder heeft op 16 december 2025, na indiening van de beroepsgronden, het proces-verbaal van binnentreden aan het digitale dossier toegevoegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Van onrechtmatigheden bij het binnentreden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Ten aanzien van de vermelding van Venezuela in het bestreden besluit, overweegt de rechtbank dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving, omdat uit de rest van het besluit genoegzaam blijkt dat verweerder inzet op terugkeer van eiser naar Libië. Naar het oordeel van de rechtbank is dit weliswaar slordig, maar niet onzorgvuldig.
Zware en lichte gronden
- Over zware grond 3a oordeelt de rechtbank dat verweerder deze grond terecht heeft tegengeworpen. Hierbij is slechts van belang is of deze grond feitelijk juist is. Niet in geschil dat eiser niet beschikte over de juiste reisdocumenten om Nederland op de voorgeschreven wijze binnen te komen. De intentie van eiser is daarbij niet relevant. Ten aanzien van zware grond 3c en lichte grond 4a verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 25 maart 2020 waarin is geoordeeld dat een feitelijke of nadere toelichting voor meerdere gronden kan worden gebruikt.
[2]
7.1. De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de daarbij gegeven motivering voldoende zijn om het risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten.
- Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder in het bij de Afdeling ingediende verzoek om een voorlopige voorziening geen aanleiding heeft hoeven zien om de maatregel niet op te leggen. Het enkel indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening bij de hoogste bestuursrechter maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt of dat verweerder niet aan de uitzetting van eiser mag werken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de Afdeling op 16 december 2025 het hoger beroep ongegrond heeft verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen heeft afgewezen.
- Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is,
[3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. - - - ## Voetnoten