Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:25105 - Rechtbank Den Haag - 23 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2025:25105•23 december 2025
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61106
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
Procesverloop
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 28 oktober 2025.
1.1. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. De oplegging van de maatregel is getoetst bij de uitspraak van 18 november 2025.[1]
1.2. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd.
1.3. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 19 december 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
[2]
2.1. Uit de uitspraak van 18 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 11 november 2025) rechtmatig is.
Is bij de voortduring van de maatregel voldoende rekening gehouden met het risico op refoulement?
- Eiser voert aan dat de minister bij de voortduring van de maatregel de belangen van eiser opnieuw moet toetsen. Volgens eiser heeft de minister het risico op refoulement niet betrokken bij de beoordeling van de voortduring van de maatregel. Eiser vreest bij terugkeer voor zijn leven in Ethiopië. Eiser voert aan dat dit van groot belang is, omdat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens eiser is zijn afgewezen asielaanvraag daarom nog niet onherroepelijk. Door hieraan voorbij te gaan, wordt volgens eiser het recht op een effectief rechtsmiddel, zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest en artikel 6 van het EVRM, geschonden.
3.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 9 van de uitspraak van 18 november 2025 waaruit blijkt dat de rechtbank bij de beoordeling van de maatregel het arrest Adrar[3] heeft betrokken. Daarmee is het risico op refoulement meegenomen in het kader van de ambtshalve toetsing. In wat eiser in het huidige beroep aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarnaast heeft het door eiser ingestelde hoger beroep geen schorsende werking. De rechtbank mag daarom uitgaan van de afwijzing van de asielaanvraag en van het daartegen ongegrond verklaarde beroep.[4] Dat de juistheid van dit oordeel door eiser in hoger beroep is aangevochten en nu ter beoordeling voorligt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) maakt niet dat de rechtbank op dit moment niet van de juistheid van het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 23 september 2025 kan uitgaan.
Ontbreekt het zicht op uitzetting en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
- Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting bestaat naar Ethiopië binnen een redelijke termijn. Volgens eiser is uitzetting ook niet binnen een afzienbare termijn te verwachten, omdat hij niet wil meewerken aan zijn terugkeer. Eiser heeft niet meegewerkt aan de persoonlijke presentatie bij de Ethiopische autoriteiten, maar dit kan hem niet worden tegengeworpen omdat hij vrees heeft om terug te keren naar Ethiopië. Eiser voert aan dat de minister sinds de indiening van de laissez-passer (lp)-aanvraag op 24 oktober 2025, ondanks meerdere rappels, geen reactie heeft ontvangen van de Ethiopische autoriteiten. Daarnaast voert eiser aan dat hij geen documenten heeft en dat niet is gebleken dat de Ethiopische autoriteiten voor hem een lp zullen verstrekken. Gelet op zijn niet-meewerkende houding, die niet kan worden tegengeworpen, ligt het volgens eiser op de weg van de minister om actiever en andersoortige uitzettingshandelingen te verrichten. Terugkeergesprekken hebben volgens eiser geen enkele meerwaarde.
4.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 18 november 2025. De rechtbank heeft in die uitspraak geconcludeerd dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Ethiopië. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 8.1. van die uitspraak. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dit inmiddels anders is. Er is niet gebleken dat de Ethiopische autoriteiten de lp-aanvraag voor eiser (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. Aan de Ethiopische autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 27 november 2025 heeft gerappelleerd bij de Ethiopische autoriteiten ten aanzien van eisers lp-traject. Ook heeft de minister op 21 november 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast stond op 27 november 2025 presentatie gepland bij de Ethiopische autoriteiten, waarbij eiser niet is verschenen. Gelet op het vorenstaande heeft de minister aan zijn verplichting om maandelijks uitzettingshandelingen te verrichten voldaan. Van eiser mag worden verwacht dat hij meewerkt aan handelingen die nodig zijn voor zijn terugkeer, waaronder een persoonlijke presentatie in het kader van het verkrijgen van zijn lp. Indien eiser ervoor kiest om niet mee te werken aan zijn terugkeer, komt dat voor zijn eigen rekening en risico. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat een vertrekgesprek geen meerwaarde heeft. In een vertrekgesprek kan de voortgang van de uitzettingsprocedure met eiser worden besproken en zijn eigen aandeel daarin om een en ander te bespoedigen, bijvoorbeeld het verkrijgen van documenten die zijn identiteit en nationaliteit bevestigen. Bovendien wordt een vertrekgesprek door de Afdeling aangemerkt als een uitzettingshandeling.[5]
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij niet volstaat met een lichter middel?
- Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Hij is nog jong en heeft niet eerder in detentie verbleven. Daarnaast voert eiser aan dat hij door de inbewaringstelling mentale klachten ervaart, waaronder stress, slapeloosheid en depressiviteit.
5.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 18 november 2025. De rechtbank verwijst in eerste instantie dan ook naar rechtsoverweging 7.1. van deze uitspraak. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Zijn stelling dat sprake is van nieuwe en/of gewijzigde omstandigheden die maken dat nu tot een andere beoordeling moet worden overgegaan heeft hij niet concreet gemaakt. Bovendien merkt de rechtbank op dat in het detentiecentrum een medische dienst aanwezig is die zorg verleent die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.[6] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beschikbare medische zorg in zijn geval onvoldoende is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
[7]
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 18 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21740.
Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).
Rechtbank Den Haag, zp. Middelburg, 23 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17574.
ABRvS 4 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1505.
ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar). - - - ## Voetnoten