Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:25104 - Rechtbank Den Haag - 23 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2025:25104•23 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53954
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.[1]
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
- De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
[2] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft niet tijdig op het overnameverzoek gereageerd. Het zonder reactie laten verstrijken van de termijn van twee maanden staat echter gelijk met aanvaarding van het verzoek, zodat een fictief claimakkoord tot stand is gekomen.[3]
Loopt eiser bij terugkeer naar Spanje een risico op indirect refoulement?
- Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Spanje een reëel risico loopt op indirect refoulement. Hij heeft tijdens zijn verblijf in Spanje namelijk geprobeerd om asiel aan te vragen, maar hij is weggestuurd en kreeg geen kans om asiel aan te vragen. Ook heeft eiser geen rechtmatig verblijf in Spanje. Het standpunt van de minister dat Spanje met het claimakkoord garandeert om eisers asielaanvraag in behandeling te nemen, klopt volgens eiser niet omdat de Spaanse autoriteiten in het geheel geen reactie op het claimverzoek hebben gegeven. Aan een fictief claimakkoord kan niet dezelfde waarde worden gehecht als aan een reëel claimakkoord.
4.1. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 juni 2024,[4] volgt dat binnen de kaders van de Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een risico loopt op indirect refoulement. Gelet hierop kan hetgeen eiser aanvoert over de vrees dat hij door Spanje wordt teruggestuurd naar Myanmar niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Hierbij komt dat er, anders dan eiser aanvoert, met het fictieve claimakkoord wel is gegarandeerd dat eiser een eventuele asielaanvraag kan doen en dat deze aanvraag in behandeling wordt genomen. Dat sprake is van een fictief claimakkoord – omdat de Spaanse autoriteiten niet tijdig hebben gereageerd – maakt dit niet anders, omdat een fictief claimakkoord gelijkstaat aan een expliciet claimakkoord.[5] Als Spanje zich niet aan de regels houdt, kan eiser hierover klagen bij de Spaanse autoriteiten. Niet gebleken is dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestond of bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister in de bijzondere omstandigheden van eiser aanleiding moeten zien om zijn asielaanvraag te behandelen?
- Eiser betoogt verder dat de minister zijn asielaanvraag in behandeling moet nemen omdat hij ondersteuning nodig heeft van de Kachin-gemeenschap. Deze gemeenschap bevindt zich echter niet in Spanje, maar wel in Nederland. Eiser ontvangt veel ondersteuning van deze gemeenschap en voor hem is het prettig om hen dichtbij te hebben. Dit moet voor de minister aanleiding zijn eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen.
5.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de aanwezigheid van een Kachin-gemeenschap in Nederland op zichzelf niet genoeg is om de asielaanvraag van eiser wegens bijzondere individuele omstandigheden onverplicht in behandeling te nemen. Het enkele feit dat eiser tot een gemeenschap behoort, is namelijk niet bijzonder genoeg om hem niet over te dragen aan Spanje. Daar komt bij dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen Kachin-gemeenschap is in Spanje. Ook heeft hij nog contact onderhouden met de gemeenschap toen hij in Myanmar was. De minister stelt niet ten onrechte dat deze, voornamelijk financiële ondersteuning, ook op afstand kan plaatsvinden. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zich zonder deze gemeenschap niet staande kan houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Dublinverordening.
ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Dat volgt uit artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening. - - - ## Voetnoten