Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:24587 - Rechtbank Den Haag - 17 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:2458717 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.23967 en NL25.32256

[eiser 1], V-nummer: [v-nummer 1], eiser 1

[eiser 2]¸ V-nummer: [v-nummer 2], eiser 2
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers. Eisers hebben een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 september 2024 afgewezen. Hiertegen hebben eisers op 27 september 2024 bezwaar gemaakt.
1.1. Op 27 mei 2025 hebben eisers in eerste instantie beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaar (NL25.23967).[1] Verweerder heeft in het bestreden besluit van 18 juni 2025 alsnog beslist op de aanvraag en is daarmee bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2. Op 16 juli 2025 hebben eisers apart beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 18 juni 2025 (NL25.32256).
1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (referent), de gemachtigde van eisers en A. Solomon als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
  1. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum 1] 2007. Eiser 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2008. Eisers hebben de Eritrese nationaliteit.
2.1. Referent stelt de vader te zijn van eisers en heeft op 21 september 2018 namens hen een mvv aangevraagd met als doel 'verblijf als familie - of gezinslid bij referent'. Verweerder heeft deze aanvraag op 5 mei 2020 afgewezen omdat er geen sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen eisers en referent. Deze rechtbank heeft in de uitspraak van 5 juli 2021[2] geoordeeld dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van hechte en persoonlijke banden.
2.2. Referent heeft op 23 januari 2024 opnieuw een mvv aangevraagd namens eisers. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van eisers' eerdere aanvraag van 21 september 2018.
Wat vinden eisers in beroep?
  1. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en bestrijden het bestreden besluit – kort samengevat – op drie onderdelen. Ten eerste verzoeken eisers om hetgeen eerder in de procedure naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte artikel 4:6 van de Awb[3] toegepast. De Gezinsherenigingsrichtlijn[4] is van toepassing en artikel 4:6 van de Awb is in strijd met het doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ook staat artikel 4:6 van de Awb op gespannen voet met artikel 8 van het EVRM[5] omdat niet is gekeken naar welk contact er op dit moment is tussen referent en eisers. Verder staat de toepassing van artikel 4:6 op gespannen voet met de Werkinstructie 2020/16[6] omdat verweerder niet heeft gekeken of het contact hersteld is of dat er intentie is om het contact te herstellen. Daarnaast heeft verweerder niet alle omstandigheden betrokken bij de artikel 4:6 Awb beoordeling en heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat gelet op die omstandigheden geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Verweerder heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met het vertrek van de verzorger van eisers, de overlegde foto's en schermafbeeldingen van contactmomenten tussen eisers en referent, het feit dat referent eisers heeft bezocht, de achtergrond en de vluchtsituatie van referent. Verweerder heeft daardoor de belangen van het kind onvoldoende betrokken. Ten slotte heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Uit de belangen van het kind volgt dat verweerder eisers had moeten horen. Ook van belang is dat er sprake is van beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM, dat eisers actief informatie hebben aangeleverd, en dat eisers in bezwaar hebben verzocht om een hoorzitting en hierbij aangegeven welk belang zij hierbij hebben.
3.1. Tijdens de zitting hebben eisers nader toegelicht dat de gronden op twee sporen zien. Het eerste spoor houdt in dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is en dat artikel 4:6 van de Awb in strijd is met het doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat met die beoordeling onvoldoende recht wordt gedaan aan de beoordeling van de situatie op dit moment. Het tweede spoor houdt in dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, nu het vertrek van de verzorger van eisers en de intensivering van het contact tegen de achtergrond van WI 2020/16 wel degelijk relevant is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
  1. De rechtbank overweegt dat een beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt.[7] Eisers kunnen zich niet verenigen met het alsnog genomen besluit, omdat verweerder niet volledig aan het beroep van eisers is tegemoetgekomen. Het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit.
  1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep met zaaknummer NL25.32256 niet-ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat het beroep met zaaknummer NL25.23967 voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is en het beroep zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het beroep met zaaknummer NL25.32256
  1. Eisers hebben naast het van rechtswege ontstane beroep tegen het bestreden besluit ook op de gebruikelijke wijze beroep ingesteld tegen dat besluit. Dit beroep is ingeschreven onder nummer NL25.32256. Nu al een beroep van rechtswege bestond tegen het bestreden besluit dat hierboven is beoordeeld door de rechtbank, bestaat geen belang meer bij de beoordeling van het later ingediende beroep tegen hetzelfde besluit. Dit beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor zover stukken alleen in het dossier met nummer NL25.32256 zijn ingediend, heeft de rechtbank deze geacht tevens te zijn ingediend in het beroep met nummer NL25.23967.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar met zaaknummer NL25.23967
  1. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 18 juni 2025, buiten de geldende beslistermijn, op het bezwaar van eisers heeft beslist. Nu verweerder daarna alsnog op het bezwaar heeft beslist, is het belang van eisers bij een beoordeling van het beroep met zaaknummer NL25.23967, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder, komen te vervallen.[8] Dat beroep zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Aangezien wel terecht beroep is ingesteld omdat verweerder te laat was met beslissen zal verweerder hiervoor wel worden veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit met zaaknummer NL25.23967
  1. Nu het bestreden besluit is genomen terwijl een beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag was ingediend, is dat beroep van rechtswege tevens gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Herhaald en ingelast
  1. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eisers eerder in de procedure naar voren hebben gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Toepassing van artikel 4:6 van de Awb
  1. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter[9] dat een bestuursorgaan ervoor kan kiezen om artikel 4:6, tweede lid van de Awb toe te passen en een herhaalde aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, wanneer er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De bestuursrechter toetst dan aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd ook tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
10.1. Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen, moet onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.[10] Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
10.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers ten opzichte van hun eerdere aanvraag geen rechtens relevante nieuwe feiten of omstandigheden hebben aangevoerd.
10.3. De rechtbank vat de stelling van eisers dat toepassing van artikel 4:6 van de Awb in strijd zou zijn met de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 8 van het EVRM, zo op dat eisers beogen te stellen dat toepassing van artikel 4:6 van de Awb evident onredelijk zou zijn. De rechtbank zal eerst toetsen of verweerder zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder hieraan heeft voldaan, dan pas komt de rechtbank toe aan de vraag of toepassing van artikel 4:6 van de Awb evident onredelijk is. [11]
10.4. De rechtbank stelt allereerst vast dat er sprake is van veranderde omstandigheden ten aanzien van het eerdere besluit. Eisers hebben in de huidige aanvraag namelijk gesteld dat zij geen verzorger meer hebben en dat het contact tussen referent en hen is geïntensiveerd, nu referent hen twee keer heeft bezocht en zij nader contact onderhouden. De rechtbank is van oordeel dat dit omstandigheden zijn die niet eerder hadden kunnen worden betrokken.
10.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat op voorhand duidelijk was dat de door eisers gestelde veranderde omstandigheden niet aan het eerdere besluit afdoen. Met de enkele verwijzing naar de overwegingen van de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2021 inzake de eerdere aanvraag van eisers heeft verweerder onvoldoende acht geslagen op de huidige situatie van eisers. Uit de Werkinstructie 2020/16 volgt dat tussen de biologische vader en zijn kind dat niet is geboren uit een huwelijk of relatie sprake kan zijn van beschermenswaardig familie - of gezinsleven als de biologische vader beperkt invulling heeft (kunnen) (ge)geven aan het familieleven met zijn kind en zijn relatie wil ontwikkelen met het kind. De vader moet dan aannemelijk kunnen maken dat hij de band met zijn kind wil opbouwen of versterken.[12] Verweerder heeft in het bestreden besluit echter geen standpunt ingenomen over de Werkinstructie 2020/16 en de toepassing hiervan en hier ter zitting ook geen nadere toelichting over gegeven. Zo heeft referent verklaard in het eerste levensjaar betrokken te zijn geweest bij de opvoeding van eiser 1 en dat hij vervolgens – voor de geboorte van eiser 2 – is vertrokken. Verweerder is echter niet ingegaan op de vraag of referent beperkt invulling heeft gegeven of heeft kunnen geven aan het familieleven met zijn kinderen. Tegen deze achtergrond is in het bestreden besluit ook onvoldoende duidelijk toegelicht in hoeverre referent in de gelegenheid moeten worden gesteld om aannemelijk te maken dat hij de band met zijn kinderen wil kunnen opbouwen of versterken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de (nieuwe) omstandigheid dat het contact tussen referent en eisers zou zijn geïntensiveerd niet relevant kan zijn voor de beoordeling van de herhaalde aanvraag. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verweerder de belangen van het kind onvoldoende heeft betrokken in het bestreden besluit, omdat het vertrek van de gestelde verzorger een grote impact kan hebben op het leven en de levenskwaliteit van eisers die alleen achterblijven. De beroepsgrond slaagt.
10.6. Eisers hebben op 14 november 2025 aanvullende stukken overgelegd. De rechtbank geeft verweerder in overweging om de diverse bankafschriften van overschrijvingen door [naam 2] (kennis van referent) aan [eiser 1] bij de nieuwe besluitvorming te betrekken, nu dit een onderbouwing is van een eerder ingenomen standpunt en verweerder zich hierover nog niet heeft uitgelaten. De rechtbank overweegt dat de verklaring van de huisarts van referent waaruit blijkt dat referent diabetes heeft en de stelling van eisers dat dit samenhangt met de stress die referent ervaart over de procedure van eisers, vanwege de ex-tunc toetsing niet bij dit oordeel kunnen worden betrokken.
  1. Verder is de rechtbank van oordeel dat het aan verweerder is om bij een nieuw te nemen besluit te beoordelen of er aanleiding bestaat om referent en eisers te horen.
  1. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, zal de rechtbank niet meer toekomen aan de vraag of de toepassing van artikel 4:6 van de Awb in de huidige zaak evident onredelijk was.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep met zaaknummer NL25.32256 is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.
  1. Het beroep met zaaknummer NL25.23967 voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eisers krijgen hiervoor wel een vergoeding van hun proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50.[13] De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
  1. Het beroep met zaaknummer NL25.23967 voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
  1. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814.[14] Het totale bedrag aan proceskosten komt daarmee op
€ 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2021:11543.
Algemene wet bestuursrecht.
Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3348 (de Afdeling).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1161 (de Afdeling).
Uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4250.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1161.
Pagina 9 van de WI 2020/16.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor ½.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1. - - - ## Voetnoten
Op grond van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2021:11543.
Algemene wet bestuursrecht.
Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3348 (de Afdeling).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1161 (de Afdeling).
Uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4250.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1161.
Pagina 9 van de WI 2020/16.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor ½.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1.