Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:24417 - Rechtbank Den Haag - 18 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:2441718 december 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58767
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 5 december 2025 heeft verweerder de maatregel opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 8 december 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 10 december 2025 op gereageerd. Dezelfde dag heeft eiser gereageerd op het verweerschrift. Op 12 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Omdat sprake is van Dublinindicaties heeft verweerder – alvorens de maatregel van grensdetentie op te leggen - moeten onderzoeken of een significant risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft dit gedaan en het risico gebaseerd op de zware grond dat eiser:
3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
en de lichte gronden dat eiser:
4c: geen vaste woon - of verblijfplaats heeft en4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel op de verkeerde grondslag berust. Hij was namelijk al in het Schengengebied, omdat hij via Wenen is ingereisd en daar zijn vingerafdrukken heeft afgestaan. Uiteindelijk is hij per trein van Antwerpen naar Schiphol gereisd. Het treinticket is toegevoegd aan het digitale dossier. Verweerder had artikel 59a Vw aan de maatregel ten grondslag moeten leggen. Daarbij is eiser bij een loungecontrole aangetroffen en niet tijdens een inreis bij een grensdoorlaatpost. Bovendien is de maatregel op 5 december 2025 opgeheven in verband met de Dublinclaim Malta. Nu er van meet af aan Dublinindicaties waren, valt niet in te zien waarom dat maatregel aanvankelijk is opgelegd, dan wel waarom deze niet na acceptatie van de claim door Malta op 2 december 2025, is opgeheven. De vrijheidsontnemende maatregel is dus van meet af aan, dan wel vanaf 3 december 2025, onrechtmatig. Verweerder is namelijk over de 48 uur heen gegaan die hij volgens jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter[1] voor een grondslagwijziging heeft. Verder voert eiser aan dat hij door een explosie in Afghanistan zijn ene oog is verloren en dat zijn andere oog is beschadigd. Verweerder heeft in het besluit volstaan met een standaardopmerking en is niet specifiek op deze medische omstandigheden ingegaan. Verder bestrijdt eiser zware grond 3a en dat er sprake zou zijn van een significant onttrekkingsgevaar. Eiser had een visum voor Malta en was nog maar net in Nederland. Daarnaast is eiser niet met een ander doel dan waarvoor zijn visum was verleend Nederland ingereisd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij al toegang had tot het Schengengebied en verweerder hem daarom niet in grensdetentie heeft kunnen stellen. Uit de uitslag van het Eurodac-onderzoek blijkt niet dat eiser via Wenen, of welk ander Schengenland dan ook, is ingereisd. In het dossier bevinden zich ook geen reisdocumenten met inreisstempels. Op het overgelegde treinticket staat weliswaar de naam van eiser, maar dit ticket bevat evenmin stempels of informatie die erop zou kunnen wijzen dat eiser de Schengenzone al had betreden. De rechtbank overweegt verder dat luchthaven Schiphol in zijn geheel wordt beschouwd als grensdoorlaatpost[2] en dat eiser is aangetroffen in de internationale lounge die, blijkens de plattegrond van Schiphol[3], zich vóór de security en toegang tot Nederland bevindt. Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat – wat er ook zij van de verklaringen van eiser over zijn reisroute – vast staat dat eiser aan de buitengrens bij de grensdoorlaatpost een asielaanvraag heeft gedaan.
Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter[4] is artikel 6, derde lid, Vw de juiste grondslag voor inbewaringstelling van een onderdaan van een derde land op wie de Dublinverordening van toepassing is en die niet krachtens artikel 6a van de Vw 2000 aan de grens kan worden gedetineerd, omdat nog niet op zijn asielaanvraag is beslist en hem dus de toegang tot Nederland niet is geweigerd.[5]
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in zijn beleid heeft vastgelegd dat als gevolg van de tijdelijke opschorting van Dublinoverdrachten aan Malta, vreemdelingen tijdelijk niet in bewaring worden gesteld ter fine van overdracht op grond van de Dublinverordening en dat lopende bewaringsmaatregelen worden opgeheven.[6] Dit betekent echter niet dat verweerder de acceptatie van de claim door Malta niet zou mogen afwachten.
De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat verweerder binnen 48 uur de vrijheidsontnemende maatregel had moeten opheffen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet verweerder in voorkomende gevallen weliswaar binnen twee dagen, maar niet noodzakelijkerwijs binnen 48 uur de maatregel omzetten of opheffen.[7] Los daarvan, ziet deze Afdelingsjurisprudentie op gevallen waarin de grondslag voor een vrijheidsontnemede maatregel wegvalt. Dat is hier niet aan de orde, omdat eiser nog steeds aan de grens een asielwens heeft geuit en artikel 6, derde lid, ook bij het wegvallen van de mogelijkheid tot overdracht aan Malta, de juiste grondslag is voor bewaring. Naar het oordeel van de rechtbank maken de Dublin-indicaties voor Malta en de beslissing van verweerder om de bewaring op te heffen enkele dagen na acceptatie van de claim door Malta dan ook niet dat verweerder de vrijheidsontnemende maatregel niet had mogen opleggen of eerder had moeten opheffen.
Ten aanzien van zware grond 3a oordeelt de rechtbank dat deze feitelijk juist is en daarom terecht is tegengeworpen. Hoewel eiser misschien aanvankelijk niet van plan was om een asielaanvraag in te dienen, wat daar ook van zij, neemt dat niet weg dat hij geen geldig paspoort heeft kunnen overleggen. Reeds daarom is zware grond 3a al van toepassing. Ten aanzien van de eisers medische omstandigheden stelt de rechtbank vast dat deze op bladzijde 3 van de maatregel expliciet worden genoemd. Van een standaardoverweging is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is,[8] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Paragraaf A1/7.1 van de Vc 2000.
www.schiphol.nl/nl/plattegronden/
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Werkinstructie 2022/14.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2024:1869.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. - - - ## Voetnoten
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Paragraaf A1/7.1 van de Vc 2000.
www.schiphol.nl/nl/plattegronden/
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Werkinstructie 2022/14.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2024:1869.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.