Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:24414 - Rechtbank Den Haag - 18 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2025:24414•18 december 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58690
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6a in samenhang gelezen met artikel 6, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van dezelfde datum is aan eiseres de toegang tot Nederland geweigerd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
Op 10 december 2025 heeft verweerder de maatregel opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 6 december 2025 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 10 december 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 12 december 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder gesteld dat ten aanzien van eiser een significant risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon - of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiseres betwist dat zware grond 3a op haar van toepassing is. Weliswaar heeft zij een visum voor een ander doel gekregen dan het indienen van een asielaanvraag, maar dit was voor haar de enige manier om naar Europa te kunnen reizen. Verweerder trekt ten onrechte hieruit de conclusie dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat de toegangsweigering een voorwaarde is voor het opleggen van een maatregel op grond van artikel 6a van de Vw 2000[1] en dus in onderhavige procedure moet worden beoordeeld. Nu door de gemachtigde van eiser geen gronden zijn aangevoerd tegen de toegangsweigering, gaat de rechtbank dan ook uit van een rechtmatige toegangsweigering.
Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, is niet in geschil dat eiseres ten tijde van haar
inreis in het bezit was van een door Duitsland afgegeven visum, geldig van 4 november 2025 tot 29 november 2025. Dat visum is naar zijn aard een visum voor een beperkte verblijfsduur en met een bepaald doel. Met het uiten van haar asielwens heeft eiseres er blijk van gegeven langdurig verblijf in Nederland te beogen. Bovendien is dit verblijf niet in overeenstemming met het verblijfsdoel dat zij bij de visumaanvraag heeft opgegeven. Gelet op het voorgaande is de zware grond onder 3a feitelijk juist en terecht aan eiseres tegengeworpen. Dat dit voor eiseres de enige manier zou zijn om Europa te bereiken, wat daar ook van zij, doet hier niet aan af. Eiseres is bewust zonder de juiste reispapieren naar Nederland gereisd.
Gelet op het vorenstaande en nu eiseres de lichte gronden niet betwist, is de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb voldoende gronden aanwezig zijn om ten aanzien van eiseres het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is,[2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:136.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. - - - ## Voetnoten