Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:10061 - Rechtbank Den Haag - 10 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2025:10061•10 juni 2025
Formele relaties
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17124
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. K. Nuninga).
- Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.
Procesverloop
- Eiser heeft op 22 februari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Italië.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via de telefoon), de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
- De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser verblijft sinds 2011 in Italië en heeft daar internationale bescherming. Eiser heeft zijn verblijfsvergunning twee keer kunnen verlengen. Eiser heeft een Italiaanse verblijfsvergunning overgelegd, die geldig is tot 17 maart 2027. De minister stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft vergelijkbare rechten als Italiaanse staatsburgers en het is aan eiser om deze rechten te effectueren. Volgens de minister is niet gebleken dat eiser alle mogelijkheden heeft benut om hulp te krijgen of te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Ook is niet gebleken dat de Italiaanse autoriteiten onverschillig staan tegenover eiser en zijn gestelde problemen.
Kan ten aanzien van Italië nog worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
- Eiser voert aan dat de minister Italië ten onrechte heeft aangemerkt als eerste land van asiel. De bescherming in Italië is namelijk niet feitelijk toegankelijk, effectief en duurzaam. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM
[1] , door een structureel gebrek aan toegang tot basale voorzieningen zoals onderdak, voedsel, medische zorg en sociale ondersteuning. Eiser heeft sinds 2011 jarenlang op straat geleefd en hij had geen toegang tot stabiele huisvesting of structurele ondersteuning. Eiser had geen legale kansen op de arbeidsmarkt, waardoor hij werd gedwongen om zwart te werken. Eiser bevond zich in een sociaal en economisch kwetsbare positie. Eiser kon geen bescherming krijgen tegen uitbuiting en er is in Italië sprake van structurele discriminatie. Eiser wijst ter onderbouwing op de stukken die hij heeft overgelegd en verwijst naar het arrest Ibrahim[2] . Uit de documenten blijkt dat de Italiaanse autoriteiten op de hoogte waren van eisers slechte leefomstandigheden. Eiser stelt dat zijn situatie de drempel van zwaarwegendheid heeft overschreden. Volgens eiser werpt de minister ten onrechte tegen dat hij geen vertaling heeft overgelegd van de Italiaanse documenten. De minister had zich met Google Translate een eerste indruk kunnen vormen van de inhoud van de documenten.
- De rechtbank overweegt als volgt. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming heeft.
[3] De aanvraag wordt alleen niet-ontvankelijk verklaard als de lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag nakomt en de vreemdeling een zodanige band heeft met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.[4] Het is vaste rechtspraak dat van zo'n band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is of subsidiaire bescherming heeft.[5]
5.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Italiaanse autoriteiten eiser internationale bescherming hebben verleend en dat eiser deze internationale beschermingsstatus in Italië nog steeds heeft. Eiser heeft dan ook een zodanige band met Italië dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
- Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag de minister ten aanzien van Italië voor statushouders over het algemeen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
[6] Dat betekent dat de minister ervan kan uitgaan dat Italië voldoet aan de internationale verdragsverplichtingen.
6.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn situatie anders is en dat hij bij terugkeer naar Italië het risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest. Eiser heeft verwezen naar het AIDA-rapport van juli 2024 (update 2023). De informatie in dit rapport was echter al bekend ten tijde van de recente Afdelingsuitspraken[7] en heeft niet geleid tot de conclusie dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarom leidt deze verwijzing niet tot een ander oordeel over de situatie van statushouders in Italië.
6.2. Uit eisers verklaringen blijkt dat de situatie in Italië voor hem erg moeilijk was. Eiser heeft verklaard dat hij lange tijd op straat heeft geleefd, dat hij zwart werkte en dat zijn werkgever(s) hem niet betaalden. Eiser heeft verklaard dat hij hierover heeft geklaagd bij de commissie en de politie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister er op kunnen wijzen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich voldoende inspant om zijn rechten te effectueren en dat hij hulp inroept van de (hogere) Italiaanse autoriteiten als dat niet lukt. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij bij de juiste instanties of de hogere autoriteiten heeft geklaagd over zijn situatie. Uit de (onvertaalde) Italiaanse documenten blijkt dit ook niet. Verder is gebleken dat eiser in Italië trainingen heeft gevolgd via de gemeente om betaald werk te krijgen, bij enkele organisaties heeft gewerkt en toegang heeft gehad tot medische zorg. Niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten onverschillig zouden staan tegenover de situatie van eiser. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de hoge drempel, zoals uiteengezet in het arrest Ibrahim, in het geval van eiser niet wordt gehaald.
6.3. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid door de documenten niet te laten vertalen. Het ligt in de eerste plaats op de weg van eiser om zijn situatie aannemelijk te maken en het belang en de inhoud van de documenten concreet te maken. Daaronder valt ook het, indien nodig, zorgen voor een betrouwbare vertaling van documenten. De enkele stelling van eiser dat de documenten zouden aantonen dat hij zijn beklag heeft gedaan, is daarvoor niet voldoende.
Conclusie en gevolgen
- De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.
Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.
Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:740).
Zie de uitspraken van 24 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1788) 8 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1771), 22 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:740), 5 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5026) en 1 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1388).
Onder andere de uitspraken van 5 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5026) en 1 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1388). - - - ## Voetnoten