Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2024:23968 - Rechtbank Den Haag - 18 juli 2024

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2024:2396818 juli 2024

Uitspraak inhoud

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.22250
NL24.22251
NL24.22252
NL24.22253
[V-Nummers]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1987, eiser/verzoeker

en
**[eiseres] ,**geboren op [geboortedatum 2] 1986, eiseres/verzoekster
mede namens hun minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2009
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2012
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 5] 2018
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 6] 2023,
allen van Tunesische nationaliteit,
tezamen te noemen, eisers/verzoekers,
hierna te noemen, eisers,
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
de Minister van Asiel en Migratie (voorheen: de staatssecretaris van Justitie en veiligheid), verweerder
(gemachtigde: mr. S. Beyik).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de
rechtbank) de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen en de verzoeken om een voorlopige voorziening.
1.1 Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 21 mei 2024 de aanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond. De besluiten omvatten ook een terugkeerbesluit en inreisverbod voor twee jaar.
1.2 Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
1.3 De rechtbank heeft de beroepen en de voorlopige voorzieningen op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben meegedaan: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
1.4 Verweerder heeft op de zitting verteld dat inmiddels is onderkend dat tijdens de procedure in Nederland een vierde kind is geboren. De voornemens en besluiten hebben mede betrekking op dit in Nederland geboren vierde kind. In het licht hiervan heeft de rechtbank het vierde kind aangemerkt als één van de minderjarige kinderen namens wie het beroep mede is ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
  1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
  1. Eisers hebben op 1 december 2022 een asielaanvraag ingediend. Aan hun relaas hebben zij ten grondslag gelegd dat problemen zijn ontstaan met de zwager van eiser. In 2016 heeft hij avances gemaakt richting eiseres, waarna de problemen zijn begonnen. De zwager van eiser gooide stenen naar hun huis, heeft gedreigd hun oudste dochter te ontvoeren, een poging gedaan om eiser aan te rijden en geprobeerd hun huis in [plaats] in brand te steken. De zwager van eiser heeft veel invloed bij de autoriteiten dan wel de politie van Tunesië. Daarom kunnen eisers geen bescherming van de autoriteiten vragen. Deze problemen zijn de directe reden voor vertrek geweest.
4.1 Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Het bestreden besluit
  1. Voordat verweerder ingaat op de inhoudelijke geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas, merkt hij op dat uit eisers reisbewegingen niet blijkt van een oprechte behoefte aan internationale bescherming. Eisers hebben verklaard dat zij in juli 2022 uit Tunesië zijn vertrokken en via Servië, Hongarije, Oostenrijk, Italië, Zwitserland en Duitsland naar Nederland zijn gereisd. Uit Eurodac is gebleken dat eisers asiel hebben aangevraagd in Oostenrijk. Eisers hebben de uitkomst van hun asielaanvraag niet afgewacht en zijn doorgereisd naar Nederland, zonder in één van de tussenliggende landen asiel aan te vragen. Eisers hebben op 29 november 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Volgens verweerder doen deze reisbewegingen afbreuk aan de gestelde noodzaak voor internationale bescherming, nu eisers onrechtmatig door verschillende landen zijn gereisd zonder daar asiel aan te vragen.[1]
5.1. Met betrekking tot de relevante elementen acht verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De problemen met de zwager van eiser vindt verweerder deels geloofwaardig. Dat de zwager van eiser avances richting eiseres probeerde te maken, hij naar het huis kwam om te dreigen en stenen te gooien wordt geloofwaardig geacht. Dat de zwager eiser probeerde te mishandelen, eisers oudste dochter probeerde te ontvoeren en hij het huis in brand heeft gestoken wordt niet geloofwaardig bevonden. Ook dat de zwager veel invloed heeft bij de autoriteiten en politie in Tunesië wordt niet geloofwaardig geacht.
Beroepsgronden eisers
  1. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij voeren als eerste aan dat Tunesië niet voor iedereen als veilig land van herkomst wordt aangemerkt. In dit verband verwijzen zij naar de prejudiciële vragen die door een Tsjechische rechter aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) zijn gesteld over het begrip veilig land van herkomst. Het Hof heeft de vragen nog niet beantwoord, maar uit de conclusie van Advocaat-Generaal Emiliou van 30 mei 2024 volgt dat van een veilig land van herkomst slechts sprake is indien een land van herkomst overal en voor iedereen als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Eisers zien daarom aanleiding te verzoeken om de behandeling van hun zaken aan te houden totdat het Hof de prejudiciële vragen van de Tsjechische rechter zal beantwoorden.
6.1. Ook stellen eisers zich op het standpunt dat hun oudste dochter [minderjarige 1] ten onrechte niet is gehoord. Op het moment dat de asielaanvragen zijn ingediend was [minderjarige 1] dertien jaar oud. Uit paragraaf C1/2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat een minderjarige ten behoeve van wie door een ouder een asielaanvraag is ingediend, in beginsel geen (nader) gehoor krijgt, tenzij de ouder daarom verzoekt of er naar het oordeel van verweerder goede reden is om de minderjarige te horen. Gesteld noch gebleken is dat eisers zijn geïnformeerd over de mogelijkheid om te verzoeken om een (nader) gehoor van hun dochter [minderjarige 1] . Eisers menen dat er goede reden was om hun dochter te horen, nu zij hebben verklaard dat er een poging is geweest om hun dochter [minderjarige 1] te ontvoeren en [minderjarige 1] daarover had kunnen verklaren.[2] Uit verklaringen van eisers blijkt daarbij dat hun dochter door die gebeurtenis psychische schade heeft opgelopen. Het had daarom op de weg gelegen van verweerder om [minderjarige 1] te horen. Eisers wijzen op rechtspraak van het Hof waaruit volgt dat bedreiging van een lid van het gezin relevant is voor de beoordeling van een beroep op internationale bescherming van een ander lid van dat gezin.[3] Bovendien volgt uit artikel 24 van het Handvest[4] dat bij alle handelingen in verband met kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen. Het bestreden besluit geef hier geen enkele blijk van.
6.2 Eisers zijn het niet eens met de door verweerder gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling. Zij verwijzen naar wat zij hiertegen hebben aangevoerd in de zienswijze en menen dat verweerder in het besluit onvoldoende op het in de zienswijze verwoorde standpunt is ingegaan. Verweerder gelooft wel dat de zwager avances heeft gemaakt naar eiseres, stenen heeft gegooid en eisers meerdere keren aangifte hebben gedaan, maar gelooft niet de andere gestelde problemen met de zwager, zoals de confrontaties in het verkeer en de poging tot ontvoering van de dochter bij school. Verweerder heeft de verschillende incidenten met de zwager onvoldoende in samenhang bezien terwijl er een logische samenhang is.
6.3. Tot slot stellen eisers dat zij op 22 november 2022 Nederland zijn binnengekomen en op 1 december 2022 hun asielvragen hebben ingediend. Eisers hebben zich daarmee onverwijld gemeld. Het bestreden besluit is op grond van bovenstaande punten onzorgvuldig tot stand gekomen en de motivering is onvoldoende draagkrachtig.
Oordeel van de rechtbank
  1. De rechtbank overweegt met betrekking tot de prejudiciële vragen van de Tsjechische rechter dat er op dit moment geen zicht is op een arrest. Het verzoek om voor de behandeling van onderhavige zaken de antwoorden af te wachten, zou daarom een aanhouding voor onbepaalde tijd betekenen. Verweerder heeft daarbij op de zitting gewezen op een aantal cruciale verschillen tussen de casus die zich afspeelde in de Tsjechische zaak en de situatie in onderhavige zaak. Dit in samenhang bezien maakt dat de rechtbank het niet passend acht, mede in het licht van de redelijke termijn, om de zaken aan te houden in afwachting van de prejudiciële vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
  1. De rechtbank is van oordeel dat de besluitvorming met betrekking tot de kinderen onzorgvuldig is geweest. De rechtbank legt dat hierna uit.
8.1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK[5] vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging. Dit is ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen.
8.2. In artikel 12, eerste lid, van het IVRK staat dat een kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen, het recht heeft die mening te uiten in een procedure die hem of haar (in)direct aangaat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het kind daartoe in de gelegenheid moet worden gesteld, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een vertegenwoordiger of daarvoor geschikte instelling. Deze verplichting geldt in gerechtelijke en in bestuurlijke procedures.
8.3. Het VN-Kinderrechtencomité[6] (hierna: Comité) geeft nadere duiding aan de bepalingen van het IVRK. Dit doet het Comité door middel van General Comments en aanbevelingen. De General Comments en aanbevelingen zijn juridisch niet-bindend maar geven wel een belangrijke aanwijzing hoe de artikelen van het IVRK moeten worden geïnterpreteerd. General Comment nr. 12[7] gaat over artikel 12 van het IVRK. Hierin staat dat het uitgangspunt is dat iedere minderjarige in staat moet worden geacht zijn of haar mening te vormen en dus gehoord te worden.[8] Een minderjarige mag zelf kiezen of hij of zij gebruik maakt van het recht om zijn of haar mening te geven.[9] Om effectief gebruik te kunnen maken van het recht om gehoord te worden, moet het kind daarover geïnformeerd worden.[10]
8.4. In een aanbeveling van 20 september 2018 heeft het Comité bepaald dat in asiel - en migratiezaken een minderjarige informatie dient te ontvangen over de procedure en dat minderjarige standaard in de gelegenheid moeten worden gesteld om te worden gehoord.[11] In een andere aanbeveling heeft het Comité geoordeeld dat het noodzakelijk is dat de minderjarige de gelegenheid krijgt om gehoord te worden bij een procedure over een vergunning. Een dergelijke vergunning heeft namelijk een enorme impact op het leven en de toekomst van de minderjarige.[12] Ook moet de minderjarige de gelegenheid krijgen om te worden gehoord wanneer zijn of haar belangen hetzelfde zijn als die van zijn of haar ouder(s).[13]
8.5. Artikel 24, eerste lid, van het Handvest bepaalt dat kinderen vrijelijk hun mening mogen uiten en dat aan hun mening in onderwerpen die hun betreffen passend belang wordt gehecht in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
  1. Verweerder heeft beleid ontwikkeld met betrekking tot het horen van kinderen. Dit staat in paragraaf C1/2.11 van de Vc. In deze paragraaf staat dat een minderjarig kind tussen twaalf en vijftien jaar in principe geen (nader) gehoor krijgt. Er wordt een uitzondering gemaakt als de vreemdeling, een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger hierom verzoekt of als er naar het oordeel van verweerder goede reden is om de vreemdeling te horen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit beleid niet in overeenstemming met de hiervoor besproken regelgeving omdat het geen recht doet aan het uit het IVRK en het Handvest volgende recht van kinderen om hun stem te laten horen in zaken die hen betreffen. Kinderen wijzen op hun recht om gehoord te worden moet de hoofdregel zijn, niet de uitzondering. De rechtbank overweegt dat zelfs als zij zou uitgaan van het beleid zoals verweerder dit nu heeft geformuleerd, verweerder aanleiding had moeten zien om [minderjarige 1] uit te nodigen voor een gehoor. [minderjarige 1] speelt een cruciale rol in het relaas van eisers, nu zij verklaard hebben dat geprobeerd is om [minderjarige 1] te ontvoeren. In tegenstelling tot eisers zou [minderjarige 1] direct bij de gestelde poging tot ontvoering betrokken zijn geweest. Verweerder acht het element van de poging tot ontvoering ongeloofwaardig. Alvorens tot dit oordeel te komen, had verweerder [minderjarige 1] moeten uitnodigen om haar stem te laten horen en te vertellen wat zij weet. Nu dit niet is gebeurd, is het besluit genomen in strijd met artikel 12 van het IVRK, artikel 24 van het Handvest en ook met artikel 3:2 van de Awb[14] omdat geen sprake is van een zorgvuldige voorbereiding nu de persoon die bij uitstek uit eerste hand had kunnen verklaren over de gestelde poging tot ontvoering – [minderjarige 1] - niet is uitgenodigd voor een gehoor.
  1. De rechtbank overweegt dat verweerder aan zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2], gelet op hun leeftijd (respectievelijk 14 en 12 jaar), de mogelijkheid moet bieden om gehoord te worden. Het uit artikel 12 IVRK en artikel 24 Handvest volgende recht van kinderen om te worden gehoord is een recht, geen plicht. Verweerder zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten uitnodigen om hun stem te laten horen en zo mogelijk te vertellen wat zij weten. De kinderen hebben de keuze of zij van dit recht gebruik willen maken. Als zij gehoord worden, dan dient dit in een kindvriendelijke setting te gebeuren.[15] Hierna moet verweerder opnieuw integraal een geloofwaardigheidsbeoordeling maken. Dit kan tot verschillende uitkomsten leiden. De rechtbank acht het daarom op dit moment niet passend om inhoudelijk te oordelen over de inhoudelijke beroepsgronden gericht tegen verweerders standpunt dat een deel van het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig is. . Daardoor komt de rechtbank nu ook niet toe aan de beroepsgrond over het al dan niet onverwijld melden in Nederland voor asiel. Verweerder heeft op basis van de reisbewegingen van eisers het standpunt ingenomen dat die omstandigheden afbreuk doen aan de behoefte aan internationale bescherming. Het is dus voor verweerder een bijkomend argument om te twijfelen aan (een deel van) het relaas. Het is niet zo dat verweerder het niet onverwijld melden heeft gebruikt om de aanvragen af te wijzen als kennelijk ongegrond; de kennelijk ongegrondverklaring van de aanvragen houdt verband met de afkomst van eisers uit een veilig land van herkomst.

Conclusie en gevolgen

  1. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of ander besluit (een bestuurlijke lus). Dit omdat er nader onderzoek nodig is om de gebreken te herstellen.
  1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor twaalf weken wat een langere dan de gebruikelijke termijn is omdat verweerder eerst de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal moeten uitnodigen om te worden gehoord.
  1. Nu met deze uitspraak op de beroepen is beslist, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken hiertoe worden afgewezen.
  1. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft twee beroepschriften ingediend die de rechtbank zal tellen als één omdat de gronden identiek zijn, verzoekschriften ingediend die eveneens als één tellen en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.625,-.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten van 21 mei 2024; - draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter: - wijst de verzoeken om een voorlopige voorzien af.
De rechtbank/voorzieningenrechter: - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.625, - aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie paragraaf C1/7.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en ECLI:GHSHE:2023:4067.
Zie verslag gehoor veilig land van herkomst eiser pagina 6 en 12; verslag gehoor veilig land van herkomst eiseres pagina 4 en 11.
Arrest van het HvJEU van 4 oktober 2018 in de zaak van Ahmedbekova en Ahmedbekov tegen Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite (Bulgarije), ECLI:EU:C:2018:801, C-652/16.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Verenigde Naties Comité voor de Rechten van het Kind.
General Comment nr. 12 (2009).
Idem, par. 20 en 21.
Idem, par.22.
Idem, par. 16, 25, 82 en 134(a).
VN-Kinderrechtencomité in Z.S. en A.S. v. Zwitserland, 16 maart 2022, 74/2019, par. 7.8 en 8.
VN-Kinderrehctencomité in Y.B. en N.S. v. België, 5 november 2018, 12/2017, par. 8.8.
VN-Kinderrechtencomité in V.A. v. Zwitserland, 30 oktober 2020, 56/2018, par. 7.3. en
A.M. v. Zwitserland, 3 november 2021, 95/2019, par. 10.11.
Algemene wet bestuursrecht.
General Comment nr. 12 (2009), VN Comité voor de Rechten van het Kind. - - - ## Voetnoten
Zie paragraaf C1/7.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en ECLI:GHSHE:2023:4067.
Zie verslag gehoor veilig land van herkomst eiser pagina 6 en 12; verslag gehoor veilig land van herkomst eiseres pagina 4 en 11.
Arrest van het HvJEU van 4 oktober 2018 in de zaak van Ahmedbekova en Ahmedbekov tegen Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite (Bulgarije), ECLI:EU:C:2018:801, C-652/16.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Verenigde Naties Comité voor de Rechten van het Kind.
General Comment nr. 12 (2009).
Idem, par. 20 en 21.
Idem, par.22.
Idem, par. 16, 25, 82 en 134(a).
VN-Kinderrechtencomité in Z.S. en A.S. v. Zwitserland, 16 maart 2022, 74/2019, par. 7.8 en 8.
VN-Kinderrehctencomité in Y.B. en N.S. v. België, 5 november 2018, 12/2017, par. 8.8.
VN-Kinderrechtencomité in V.A. v. Zwitserland, 30 oktober 2020, 56/2018, par. 7.3. enA.M. v. Zwitserland, 3 november 2021, 95/2019, par. 10.11.
Algemene wet bestuursrecht.
General Comment nr. 12 (2009), VN Comité voor de Rechten van het Kind.