Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:2019 - Rechtbank Amsterdam - 26 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2026:2019•26 februari 2026
Uitspraak inhoud
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/234561-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] .
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J. Pardijs, naar voren hebben gebracht.
2 Beschuldiging
Aan verdachte is – verkort weergegeven en na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich op 6 september 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag van [slachtoffer] door deze met een of meer glasscherven een - of meermalen in de hals te steken of te slaan. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Waardering van het bewijs
3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft aangever met een glasscherf in zijn hals gestoken en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zou komen te overlijden.
3.2. Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit, omdat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever heeft gehad. Uit de verklaring van verdachte blijkt namelijk dat verdachte met een glazen flesje dat nog helemaal intact was heeft geslagen en dat levert geen aanmerkelijke kans op de dood op. De raadsman heeft verder bepleit dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, omdat deze verklaringen niet betrouwbaar zijn.
Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegd feit. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
3.3.1. Glasscherven
De rechtbank heeft ter terechtzitting bewegende beelden van het Leidseplein op 6 september 2025 getoond en daarop waargenomen dat er naast een vuilnisbak een flesje staat. Vervolgens komt verdachte in beeld, loopt naar de vuilnisbak waar het flesje staat en bukt. Verdachte beweegt met zijn armen, waarbij een van zijn handen verder richting de grond gaat. Op dat moment kijkt een omstander om in de richting van verdachte, waaruit de rechtbank afleidt dat diegene kennelijk een opvallend geluid hoorde, en verspringt in beeld bij verdachte een klein voorwerp naar rechts. Vervolgens loopt de verdachte weg, waarna het flesje niet meer is te zien en op de grond naast de vuilnisbak kleine glinsterende voorwerpen liggen die er voordat verdachte bij de vuilnisbak in beeld kwam nog niet lagen. Op basis van deze waarnemingen concludeert de rechtbank dat de verdachte op dat moment het flesje heeft kapotgeslagen en stukgeslagen glas heeft meegenomen.
De rechtbank heeft op getoonde camerabeelden rond de aanhouding van verdachte waargenomen dat door een host van het Leidseplein wordt gewezen naar de plek waar verdachte kennelijk iets uit zijn handen heeft laten vallen. De politie heeft naderhand op deze plek glasscherven, maar geen (onderdelen van een) flessenhals, aangetroffen waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte een of meer glasscherven in zijn hand heeft gehad en niet een complete fles.
3.3.2. Poging tot doodslag
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte heeft gestoken. Van deze tenlastegelegde handelingen zal verdachte dan ook partieel worden vrijgesproken. Op grond van de verklaring van aangever, de foto van het letsel en de verklaring ter zitting van verdachte zelf dat hij het slachtoffer een klap heeft gegeven is de rechtbank verder van oordeel dat verdachte met een of meer glasscherven in zijn hand minstens een keer tegen de hals van aangever heeft geslagen.
Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens heeft geprobeerd aangever te doden. Wel is volgens de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever en daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
In de hals bevinden zich slagaders en wanneer deze met een scherp voorwerp, zoals een glasscherf, worden geraakt is er een aanmerkelijke kans op overlijden. In dit geval was de lengte van de in beslag genomen glasscherven zodanig dat verdachte de slagaders had kunnen raken. Dat verdachte deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard leidt de rechtbank af uit zijn handelen. Verdachte heeft een flesje kapotgeslagen en een of meer glasscherven meegenomen in zijn hand. Verdachte is vervolgens achter aangever aangelopen en heeft kennelijk tegen de hals van aangever, daar het letsel zich heeft verwezenlijkt, geslagen.
Omdat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet als bewijsmiddelen worden gebruikt, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het verweer van de raadsman met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1 primair:
op 6 september 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een glasscherf en/of glasscherven een - of meermalen in de hals van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 De strafbaarheid van het feit en de verdachte
5.1. Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte wegens beroep op putatief noodweer(exces) moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Verdachte is kort voor het incident in elkaar geslagen. Verdachte komt bij toeval aangever en onder andere de persoon die hem in elkaar heeft geslagen weer tegen. Op dat moment wordt verdachte geconfronteerd met drie personen die voor hem staan, hij hoort "wil je weer klappen hebben?" en aangever spreidt zijn armen, terwijl hij een stap in de richting van verdachte zet. Onmiddellijk in reactie daarop heeft verdachte zichzelf afgeweerd door een klap te geven omdat hij op dat moment ervaart dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval door aangever. Deze reactie was proportioneel. Verdachte heeft de situatie niet zelf opgezocht, waardoor aan de eisen van subsidiariteit ook wordt voldaan.
5.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een beroep op putatief noodweer(exces) niet kan slagen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat geen sprake was van een noodweersituatie. Verdachte heeft eerst zelf een flesje kapotgeslagen en er was geen sprake van een toevallige ontmoeting. Het spreiden van de armen kan niet als gewelddadige handeling worden aangemerkt.
5.3. Oordeel van de rechtbank
Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt verworpen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De rechtbank heeft op bewegende beelden waargenomen dat verdachte bij een vuilnisbak een flesje kapotsloeg en scherven meenam. Vervolgens begaf hij zich, samen met twee anderen, met versnelde pas over het Leidseplein in de richting van aangever. Een van de personen die met verdachte meeliep, probeerde verdachte tegen te houden. Toen verdachte aangever en zijn twee vrienden vervolgens kort genaderd was, draaide aangever zich om en spreidde aangever zijn armen gedurende ongeveer 3 seconden terwijl verdachte voor hem staat. Verdachte heeft verklaard dat hij zich op dat moment genoodzaakt voelde om te slaan.
De rechtbank is van oordeel dat er op dat moment geen sprake is van een situatie waarin verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen omdat hij verschoonbaar zich (het dreigende gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De rechtbank ziet op de camerabeelden dat aangever zijn armen spreidt en leidt daaruit af dat aangever daarmee probeert te voorkomen dat er opnieuw een confrontatie ontstaat tussen verdachte en aangevers vrienden. De beweging van aangever was de-escalerend van aard.
De rechtbank hecht geen waarde aan de verklaring van verdachte dat de tweede ontmoeting met aangever toevallig was, hij niet op zoek was naar een confrontatie en dat hij op weg was naar zijn auto die bij het Marriott hotel zou staan. Verdachte liep met versnelde pas direct in de richting waar aangever en zijn vrienden liepen. Das was geen logische looproute naar het Marriott Hotel. Verdachte had naar eigen zeggen ook behoorlijk wat gedronken dus dan is het ook niet logisch dat hij met zijn auto zou gaan rijden.
Omdat de rechtbank concludeert dat er geen sprake is van een (putatieve) noodweersituatie tegenover aangever, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van noodweerexces.
Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank als volgt. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6 Motivering van de straffen en maatregelen
6.1. Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.
6.2. Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en in het bijzonder acht te slaan op het vroeghulprapport.
6.3. Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft met een of meerdere glasscherven in zijn hand aangever tegen zijn nek geslagen. Verdachte deed dit tijdens een uitgaansavond op het Leidseplein, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. De gevolgen voor aangever zijn aanzienlijk. Hij houdt hieraan twee misvormende littekens op een zichtbare plek in zijn hals over. De gevolgen voor aangever hadden nog veel ernstiger kunnen zijn. Dat aangever het handelen van de verdachte niet met de dood heeft moeten bekopen, is dan ook een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte is te danken. Door zijn handelen heeft de verdachte aangever niet alleen pijn en letsel toegebracht, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij aangever en de samenleving in het algemeen veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt een gevangenisstraf tussen de 24 en 36 maanden. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 22 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte op 25 juli 2023 en op 11 mei 2021 onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere bedreiging.
In matigende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte bij de eerste confrontatie, weliswaar niet door aangever, is mishandeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van
3 februari 2026. Uit het rapport volgt dat verdachte niet intrinsiek wil meewerken aan een alcoholverbod en een toezicht. Op basis van het reclasseringsadvies en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij het nut van begeleiding door de reclassering niet ziet en alleen mee zal werken omdat het is opgelegd, legt de rechtbank geen bijzondere voorwaarden op.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
7 Vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 10.000, - aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 7.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (6 september 2025).
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 7.500,-.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
9 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
poging tot doodslag
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 7.500, - (zevenduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 7.500, - (zevenduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Van de Water, voorzitter,
mrs. P. Sloot en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026.