Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:9178 - Rechtbank Amsterdam - 19 november 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:9178•19 november 2025
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/756890 / HA ZA 24-1046
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat: mr. H.J. Bos,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. T.R.B. de Greve.
Eisers zullen hierna afzonderlijk weer [eiser 1] en [eiser 2] worden genoemd en gezamenlijk [eisers] , gedaagde Rabobank of de bank.
1 De procedure
1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 11 juni 2025; - de akte bewijslevering van Rabobank met producties; - de antwoordakte van [eisers]
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Het tussenvonnis – kennis - en ervaringstoets
2.1. In het tussenvonnis van 11 juni 2025 (hierna: het tussenvonnis) is Rabobank toegelaten te bewijzen:
dat zij in 2012, voordat [eiser 1] de eerste opties ging schrijven via Rabobank, de kennis - en ervaringstoets (ook wel de 'passendheidstoets') op voldoende zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd en heeft voldaan heeft aan haar verplichting op grond van artikel 4:24 lid 1 Wft om (i) (voldoende) informatie in te winnen over de kennis en ervaring van [eiser 1] en dat zij (ii) aan de hand van de ingewonnen informatie tot het oordeel kon komen (erop mocht vertrouwen) dat het schrijven van (ongedekte) opties voor [eiser 1] passend was.
2.2. In haar akte heeft Rabobank opgemerkt dat de rechtbank haar ten onrechte op deze wijze met dit bewijs heeft belast. Daarin heeft Rabobank gelijk. De bewijslast dat Rabobank de kennis - en ervaringstoets niet op zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd (haar zorgplicht op dit punt heeft geschonden) rust op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op [eisers] omdat hij zich beroept op de rechtsgevolgen van de schending daarvan.[1] Ook in rechtsoverweging 4.6 van het tussenvonnis is ten onrechte overwogen: "Het is aan Rabobank om te onderbouwen en bij (gemotiveerde) betwisting te bewijzen dat zij de passendheidstoets op zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd." In rechtsoverweging 4.9 is vervolgens terecht overwogen: "In beide gevallen had Rabobank immers moeten nagaan of [eiser 1] over de nodige kennis en ervaring beschikte om te begrijpen welke risico's aan het schrijven van (ongedekte) opties zijn verbonden." Onjuist is echter de daarop volgende zin: "Ook hier geldt dat het aan Rabobank is om aannemelijk te maken en zo nodig te bewijzen dat de bank dit heeft gedaan."
2.3. De rechtbank had moeten overwegen dat [eisers] moet stellen en bewijzen dat Rabobank de kennis - en ervaringstoets nietop zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd en dat de rechtbank op grond van hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.11 is overwogen voorshands bewezen acht dat [eisers] erin is geslaagd dit bewijs te leveren. Daarbij speelt een belangrijke rol dat het bewijzen van een negatief feit vrijwel onmogelijk is, dat Rabobank de kennis - en ervaringstoets moet uitvoeren, Rabobank over alle relevante stukken beschikt en de perso(o)n(en) die de toets moest(en) uitvoeren/hebben uitgevoerd bij haar in dienst zijn (geweest). De bewijsopdracht had dan ook moeten luiden als volgt:
de rechtbank geeft Rabobank de gelegenheid tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen stelling dat Rabobank in 2012, voordat [eiser 1] de eerste opties ging schrijven via Rabobank, de kennis - en ervaringstoets (ook wel de 'passendheidstoets') niet op voldoende zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd en (dus) niet heeft voldaan heeft aan haar verplichting op grond van artikel 4:24 lid 1 Wft om (i) (voldoende) informatie in te winnen over de kennis en ervaring van [eiser 1] , althans dat zij (ii) aan de hand van de ingewonnen informatoe niet tot het oordeel kon komen (erop mocht vertrouwen) dat het schrijven van (ongedekte) opties voor [eiser 1] passend was.
De rechtbank zal de in het tussenvonnis gegeven bewijsopdracht hierna zo lezen en beoordelen of Rabobank erin is geslaagd dit tegenbewijs te leveren.
2.4. Het oordeel is dat Rabobank daarin niet is geslaagd. Rabobank heeft slechts één bewijsmiddel in het geding gebracht: een "Transactieoverzicht aandelen en financiële instrumenten", waarin zijn opgenomen de aandelen die op 11 januari 2008 zijn 'verhuisd' van ING naar Rabobank. Hiermee heeft Rabobank geenszins 'ontzenuwd' dat – zoals in rechtsoverweging 4.6 van het tussenvonnis is overwogen – "volstrekt onduidelijk" is waarop Rabobank (Keppel) heeft gebaseerd dat [eiser 1] "ervaring had in alle op het formulier genoemde complexe financiële instrumenten". Dit transactieoverzicht zegt daarover niets. Rabobank heeft geen andere bewijsstukken overgelegd (maar slechts verwezen naar stukken in het Rapport, zie 4.1 tussenvonnis, die de rechtbank al eerder in de beoordeling heeft betrokken) en Keppel – die het zou moeten kunnen vertellen – niet als getuige laten horen.
2.5. Dit leidt tot de conclusie dat de vaststelling blijft staan dat Rabobank in 2012, voordat [eiser 1] de eerste opties ging schrijven via Rabobank, de kennis - en ervaringstoets (ook wel de 'passendheidstoets') niet op voldoende zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd en (dus) niet heeft voldaan heeft aan haar verplichting op grond van artikel 4:24 lid 1 Wft om (i) (voldoende) informatie in te winnen over de kennis en ervaring van [eiser 1] , althans dat zij (ii) aan de hand van de ingewonnen informatie niet tot het oordeel kon komen (erop mocht vertrouwen) dat het schrijven van (ongedekte) opties voor [eiser 1] passend was. Dit betekent dat Rabobank haar (precontractuele) zorgplicht jegens [eisers] heeft geschonden en aldus onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] is dan ook toewijsbaar. De mogelijkheid dat [eisers] als gevolg van deze zorgplichtschending schade heeft geleden is aannemelijk, zodat Rabobank ook zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door [eisers] dientengevolge geleden en te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
En verder – eigen schuld?
2.6. In het tussenvonnis is Rabobank (in het kader van het beroep van de bank op eigen schuld van [eiser 1] ) ook in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat en wanneer zij met [eiser 1] na 2012 het risico verbonden aan het schrijven van (ongedekte) opties en de werking van het effectenkrediet heeft besproken. Op grond van hetgeen thans bekend is over bijvoorbeeld de door [eiser 1] geschreven opties en de discussie over de door Rabobank in het geding gebrachte stukken kan de rechtbank hierover geen beslissing nemen. De beoordeling van het beroep van Rabobank op eigen schuld van [eisers] wordt dan ook overgelaten aan de rechter in de schadestaatprocedure.
Proceskosten
2.7. Rabobank moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:
2.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3 De beslissing
3.1. verklaart voor recht dat dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] ,
3.2. veroordeelt Rabobank tot vergoeding van de door [eisers] dientengevolge geleden en te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
3.3. veroordeelt Rabobank in de proceskosten van € 3.173,97, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
3.4. veroordeelt Rabobank tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8967 - - - ## Voetnoten