Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:9168 - Rechtbank Amsterdam - 7 november 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:9168•7 november 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5184
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. H. Kras).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 8 september 2025. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 september 2025.
1.1. Verzoeker heeft het verzoek ingetrokken omdat het college op 9 september 2025 heeft besloten om hem toe te laten tot een 24-uurs trajectbed aan de [adres] voor onbepaalde tijd.
1.2. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop niet gereageerd.
1.3. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[1]
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
- Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
[2]
3.1. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar - of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.[3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
- Het college is op 9 september 2025 aan het verzoek van verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen.
[4] Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.[5] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college aan het verzoek van verzoeker is tegemoetgekomen door hem toe te laten tot een 24-uurs trajectbed voor onbepaalde tijd. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
- De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 907, - bedragen. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet het college de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. De voorzieningenrechter wijst erop dat het college het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53, - kan vergoeden.
[6] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 907, - aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, zesde lid, van de Awb. - - - ## Voetnoten