Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:9071 - Rechtbank Amsterdam - 2 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:9071•2 september 2025
Uitspraak inhoud
Rechtbank Amsterdam
rechter-commissaris in strafzaken
parketnummers :
datum : 2 september 2025
beslissing op verzoek om inzage
in de strafzaak tegen verdachte
A B.V.
B B.V.
raadslieden: mr. G. Bergervoet, mr. R. de Jong en mr. L Smithuijsen
Procedure
De raadslieden hebben op 1 juli 2025 inzage verzocht in van X Bank afkomstige data. De officieren van justitie in dit onderzoek, mr. M. Lambregts en mr. H.J. Hart, hebben zich bij brief van 13 augustus 2025 gerefereerd aan het oordeel van de rechter-commissaris.
Beoordeling
Op 12 december 2024 hebben de officieren van justitie hun voornemen tot dagvaarding van de verdachten in dit onderzoek aangekondigd. Inmiddels is een eerste regiezitting door de rechtbank gepland. Het gevolg van het voornemen tot dagvaarding en het plannen van de regiezitting is dat de rechter-commissaris niet bevoegd is om op daarna ingediende onderzoekswensen te beslissen. Die sfeerovergang heeft ook gevolgen voor de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek om voeging en inzage. In de fase van het voorbereidende onderzoek is de rechter-commissaris bevoegd om daarop te beslissen, maar in de zittingsfase ligt die bevoegdheid bij de zittingscombinatie. Zoals in een eerdere beslissing over deze kwestie is overwogen kan daardoor een impasse in de voortgang ontstaan, waar niemand bij gebaat is. De rechter-commissaris heeft om die reden contact opgenomen met de voorzitter van de combinatie die deze zaak gaat behandelen. Deze heeft ermee ingestemd dat de rechter-commissaris verzoeken van de verdediging en vorderingen van de officieren van justitie in behandeling neemt en afhandelt, zonder dat dit iets afdoet aan de mogelijkheden van partijen om hun wensen tezijnertijd bij de zittingscombinatie (opnieuw) naar voren te brengen.
De regeling voor inzage in informatie die tijdens het opsproringsonderzoek is verzameld maar die geen deel uitmaakt van de processtukken, is neergelegd in artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering. Deze regeling ziet primair op het voorbereidende onderzoek maar laat zich analoog toepassen in de zittingsfase, voor zover het om de materiële criteria gaat. Op grond van artikel 34 lid 1 Sv kan de verdachte de officer van justitie verzoeken om specifieke stukken bij de processtukken te voegen. Het tweede lid bepaalt dat hij de officier kan vragen om inzage in de stukken ter onderbouwing van het het verzoek om voeging. Uit de onderlinge samenhang van deze bepalingen volgt dat het vereiste van specificiteit voor het tweede lid in mindere mate geldt dan voor het tweede lid. Volgens het vierde lid kan de officier van justitie voeging van en inzage in stukken weigeren indien de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien dit onverenigbaar is met een van de belangen vermeld in artikel 187d lid 1 Sv. Bij de beoordeling van het verzoek moet verder acht worden geslagen op de rechtspraak van het EHRM op dit punt.
De officier van justitie heeft in dit onderzoek gegevens gevorderd van X Bank, die in totaal ruim 10 miljoen databestanden heeft uitgeleverd (object Y). Daarnaast zijn door de officier justitie bij Duitse instanties door middel van een EOB harde schijven met gegevens opgevraagd die eerder door X Bank aan de Duitse autoriteiten waren uitgeleverd (object Z). De rechter-commissaris begrijpt het verzoek aldus dat het alleen ziet op de datasets uit object Y. De officieren hebben gesteld dat uit een korte zoekslag in de data uit object Z is gebleken dat deze irrelevant zijn voor dit onderzoek en dat deze verder niet zijn ingezien. Er zijn geen redenen om daaraan te twijfelen. Het verzoek ziet op data die juist wel van belang zijn geweest voor de bewijsconstructie. Dit moeten dus de data uit object Y zijn.
Door de officieren van justitie is een dataroom samengesteld, waarin data zijn opgenomen waaruit het onderzoeksteam heeft geput. Zij hebben op verzoek van X Bank de datasets van object Y niet opgenomen in de dataroom. De brief van 7 april 2025, waarin de raadsman van X Bank zijn argumenten daarvoor uiteen heeft gezet, is destijds ook naar de rechter-commissaris gestuurd.
De verdediging heeft gesteld dat de data uit object Y van groot belang zijn geweest voor de verdenking tegen de verdachten en de daaraan ten grondslag liggende bewijsconstructie. Zij heeft dit concreet gemaakt door te verwijzen naar specifieke processtukken. Door de officieren van justitie is niet bestreden dat de data uit object Y van belang zijn geweest voor het opsporingsonderzoek. De vele verwijzingen naar processtukken die de verdediging in het verzoekschrift heeft opgenomen, ondersteunen de stelling van de verdediging. Het belang van de verdediging bij inzage in deze stukken is daarmee naar het oordeel van de rechter-commissaris voldoende aannemelijk. De door X Bank in haar brief van 7 april 2025 aangevoerde argumenten wegen daar niet tegen op. In de brief wordt de stelling, dat de data informatie bevat die zodanig gevoelig of geheim is dat het belang van de verdediging bij kennisneming daarvan zou moeten wijken, onvoldoende concreet gemaakt. Gelet op de hoeveelheid data en de herkomst daarvan – een financiële instelling – is zonder meer voorstelbaar dat de data privacy - of bedrijfsgevoelige gegevens bevatten, maar die enkele abstracte mogelijkheid is van onvoldoende gewicht om de verdediging de toegang tot alle data uit object Y te ontzeggen. Daar komt bij dat niet valt in te zien welke wettelijke grondslag voor weigering van inzage in de data uit object Y dit zou opleveren.
Het argument van X Bank dat zich in de data mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal bevindt is ook onvoldoende om de inzage in alle data te weigeren. De officieren van justitie hebben naar voren gebracht dat de data uit object Y door X Bank voor afgifte zelf zijn gefilterd op mogelijke verschoningsgerechtigde inhoud. Op dit moment ontbreken concrete aanwijzingen voor een redelijk vermoeden dat zich in de data uit object Y toch verschoningsgerechtigd materiaal bevindt. Als dat vermoeden na de inzage ontstaat en er wordt een tot filtering strekkend(e) verzoek dan wel vordering ingediend, zal dit inhoudelijk worden beoordeeld.
Beslissing
De rechter-commissaris: - wijst het verzoek toe en gelast dat de offcieren van justitie de data afkomstig uit object Y laten opnemen in de dataroom zodat de verdedigng daarvan kennis kan nemen.
Deze beslissing is op 2 september 2025 genomen door mr. H. Fehmers, rechter-commissaris.