Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:8943 - Rechtbank Amsterdam - 18 november 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:8943•18 november 2025
Uitspraak inhoud
Parketnummer: 13/230459-24
Datum uitspraak: 18 november 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 6 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juli 2024 door de procureur generaal bij het gerechtshof van Parijs, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Marokko) in het jaar 1950,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna 'de opgeëiste persoon'.
1 Procesgang
Zitting 1 oktober 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 1 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen die in het proces-verbaal zijn opgenomen over de detentieomstandigheden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn met nog eens 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW
Zitting 4 november 2025
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling – voortgezet op de zitting van 4 november 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof en door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een verstekarrest van 1 april 2019 gewezen door het Gerechtshof van Parijs, groep 5 – Kamer 12, met referentie 18/004762.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.[3]
De raadsvrouw heeft verzocht om nadere vragen te stellen over de grondslag van het EAB, nu de opgeëiste persoon zijn verzet heeft ingetrokken. Hiertoe verwijst ze naar een uitspraak van deze rechtbank van 9 september 2025.[4]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag van het EAB steeds hetzelfde blijft: het gaat om een EAB ter executie van een straf, waarbij alleen nog de vraag speelt of de verzet-garantie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit is afgegeven, al dan niet wordt ingeroepen. De opgeëiste persoon heeft het verzet weliswaar op 3 november jl. ingetrokken, maar de intrekking van het verzet zal nog op een zitting door het Gerechtshof in Frankrijk moeten worden bekrachtigd, terwijl gebleken is dat dit tussen vier en zes weken duurt. Op grond van de OLW kan de beslistermijn niet worden verlengd om navraag te doen over de grondslag van het EAB.
De rechtbank overweegt dat in deze zaak zich geen soortgelijke situatie voordoet als in de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraak. Daarbij blijft de grondslag van het EAB hetzelfde, ook wanneer de intrekking van het verzet zal worden bekrachtigd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om nadere vragen over de grondslag te stellen.
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.[5] Uit het EAB volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
"de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar
* - de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en*
* - de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en*
* - de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk vijf dagen voor een cassatieberoep. Indien hij binnen deze termijn verzet indient, wordt het arrest van het gerechtshof vernietigd worden en hij wordt opnieuw over de feiten rechtgesproken. Daarnaast wordt hij voor een rechter (rechter voor vrijheidsmaatregelen en detentie) voorgeleid die erover zal beslissen of betrokkene tot de nieuwe terechtzitting gedetineerd blijft of niet, dit op basis van een aanhoudingsbevel."*
Bij e-mail van 2 september 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is medegedeeld:
"The time limits provided for in Article 491 of the French Code of Criminal Procedure for asking a retrial are as follows, it being
*specified that these time limits run from the date of service on the person of the defendant:*
* - 10 days if the defendant resides in metropolitan France ;*
* - 1 month if the defendant resides outside metropolitan France.*
*In this case, if he is handed over to the French authorities, Mr [de opgeëiste persoon] may request a retrial by lodging an « opposition » within ten*
*days or one month of notification by the public prosecutor of the ruling handed down on 1 April 2019 by the Paris Court of Appeal."*
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. Dat de opgeëiste persoon op 19 september 2025 al verzet heeft ingesteld en dat op 3 november 2025 weer heeft ingetrokken maakt het voorgaande niet anders.
5 Strafbaarheid
5.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het eerste in het EAB vermelde strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het eerste feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige gedragingen in de feitomschrijving niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 160, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Inleiding
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, als de overlevering is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Zoals onder 3 en 4 beschreven ligt aan het EAB een arrest ten grondslag dat bij verstek is gewezen en waarbij door de uitvaardigende justitiële autoriteit een verzetgarantie is gegeven. Door deze verzetgarantie ligt aan het EAB nog geen onherroepelijk vonnis ten grondslag. Het EAB moet daarom ten aanzien van de toepassing van artikelen 6/6a OLW worden beschouwd als een vervolgings-EAB. Als gevolg hiervan is de weigeringsgrond van artikel 6a OLW in beginsel nog niet aan de orde en kan de overlevering afhankelijk worden gesteld van een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6 OLW. In dit specifieke geval ziet de rechtbank echter aanleiding om de weigeringsgrond van artikel 6a OLW wél in de beoordeling te betrekken.
De raadsvrouw heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon op 3 november 2025 het ingestelde verzet heeft ingetrokken. Ter zitting heeft de raadsvrouw bevestigd dat de opgeëiste persoon deze intrekking ook zal handhaven en niet meer van gedachten zal veranderen. Verder heeft de officier van justitie ter zitting een emailbericht van de Franse autoriteiten van 4 november 2025 overgelegd waarin wordt toegelicht dat het arrest van 1 april 2019 met het intrekken van het verzet nog niet onherroepelijk is geworden. De intrekking van het verzet moet op een zitting door het Gerechtshof in Frankrijk worden bekrachtigd. Dit zal, blijkens de overgelegde mail, tussen de vier en zes weken duren. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de intrekking van het verzet niet zal worden gehonoreerd. Dit betekent dat het arrest dat ten grondslag ligt aan het EAB op zeer korte termijn onherroepelijk zal worden.
Naast de concreet onderbouwde en realistische verwachting dat het arrest op zeer korte termijn onherroepelijk zal worden, betrekt de rechtbank in haar overweging dat de opgeëiste persoon een zeer kwetsbare gezondheid heeft, gecombineerd met een hoge leeftijd van 75 jaar. Zo blijkt uit de door raadsvrouw overgelegde stukken dat de opgeëiste persoon op dit moment kampt met verschillende gezondheidsproblemen, waaronder hartproblemen waar hij binnenkort voor wordt behandeld. Ook betrekt de rechtbank in haar beslissing dat de officier van justitie heeft aangegeven dat hij begrip heeft voor de situatie van de opgeëiste persoon en bereid is mee te denken over een mogelijkheid hem toch de gelegenheid te geven zijn straf hier uit te zitten.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, in dit uitzonderlijke geval, aanleiding om de weigeringsgrond van artikel 6a OLW te beoordelen terwijl op het moment van deze tussenuitspraak nog niet definitief sprake is van een onherroepelijk arrest. Dit betekent dat de rechtbank hieronder zal beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Frankrijk opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Beoordeling weigeringsgrond artikel 6a OLW
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Het eerste in het EAB vermelde strafbare feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
witwassen.
Uit deze kwalificatie en de hiervoor onder 5.2 weergegeven Nederlandse kwalificaties van het tweede vermelde feit volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende familiale, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft dus het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd.[6] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak CJ.[7] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen[8] volgt uit dat arrest – kort samengevat – dat voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest CJvan het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van 1 april 2019 gewezen door het Gerechtshof van Parijs, groep 5 – Kamer 12 (referentie 18/004762) op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Frankrijk opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
De op de zitting van 1 oktober 2025 verlengde beslistermijn verstrijkt op 22 november 2025. Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Zoals eerder geoordeeld, ziet de rechtbank momenteel de nieuwe lijn zoals uiteengezet in het arrest CJvan het HvJ EU als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank verlengt daarom de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
7 Beslissing
HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het onder 6 geformuleerde verzoek aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 21 januari 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw, en oproeping van een tolk in de Arabisch (Marokkaanse) taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2025:7112.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d'arrêt européen à l'encontre d'un ressortissant d'un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
Rb Amsterdam 30 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7371. - - - ## Voetnoten