Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:8802 - Rechtbank Amsterdam - 12 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:880212 november 2025Deze uitspraak wordt in 3 latere zaken aangehaald

Uitspraak inhoud

Parketnummer: 13/234572-25
Datum uitspraak: 12 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 september 2025 (en de correctie van de vordering van 14 oktober 2025) van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 september 2022 door the District Court in Rzeszów, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna 'de opgeëiste persoon'.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.[2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Rzeszów van 4 juni 2019 (referentie: II K 111/19).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zes maanden en zestien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.[3]

4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Inleiding
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een aan hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de overlevering te weigeren onder gelijktijdige strafovername. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman twee dagen voor de zitting, bij e-mail van maandag 27 oktober 2025, verschillende stukken overgelegd over het inkomen en de verblijfplaats van de opgeëiste persoon in de afgelopen vijf jaar. De stukken zijn kort daarvoor door de opgeëiste persoon aan de raadsman verstrekt, omdat het verzamelen ervan werd bemoeilijkt doordat uitzendbureaus geen medewerking verleenden of inmiddels failliet waren, aldus de raadsman.
Als de rechtbank van oordeel is dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om bij de Immigratie - en Naturalisatiedienst (IND) een advies op te vragen en de uitvaardigende justitiële autoriteit om het vereiste certificaat en het onderliggende vonnis te verzoeken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overgelegde stukken buiten beschouwing gelaten moeten worden, omdat deze niet tijdig zijn overgelegd. Voor zover de rechtbank de stukken niet buiten beschouwing laat, stelt de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank moeten stukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling in beginsel uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting te worden overgelegd.[4]
De rechtbank stelt vast dat de raadsman de stukken niet tijdig aan de rechtbank heeft doen toekomen. De rechtbank heeft de stukken immers pas twee dagen voor de zitting ontvangen. Bovendien ging het om een aanzienlijke hoeveelheid stukken zonder duidelijke leeswijzer en zonder de daaraan door de raadsman verbonden conclusies ten aanzien van het onafgebroken verblijf van de opgeëiste persoon en de rechtmatigheid daarvan per jaar. Daarnaast constateert de rechtbank dat bepaalde stukken, gelet op het moment waarop deze zijn opgesteld, al vóór voornoemde termijn hadden kunnen worden overgelegd, met daarbij een aankondiging welke aanvullende stukken zouden volgen. De rechtbank merkt daarbij op dat tijdige aanlevering van gelijkstellingstukken des te belangrijker is geworden sinds het arrest CJ van het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat bij een beroep op gelijkstelling zoals bedoeld in artikel 6a OLW niet alleen een IND-advies moet worden opgevraagd, maar ook toestemming van de uitvaardigende lidstaat moet worden verkregen in de vorm van, kort gezegd, een WETS-certificaat en het veroordelend vonnis.[5] De stukken worden dus buiten beschouwing gelaten.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren onafgebroken en rechtmatig in Nederland verblijft. De duur van het verblijf moet door de rechtbank ex nuncworden beoordeeld, dus de opgeëiste persoon moet op het moment van de uitspraak (dus op 12 november 2025) aan de voorwaarden voor gelijkstelling voldoen. Dat is niet het geval. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat de opgeëiste persoon op zijn vroegst vanaf 20 november 2025 vijf jaar ononderbroken in Nederland verblijft. De rechtbank merkt verder ten overvloede op dat uit de overgelegde stukken ook onvoldoende blijkt dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in Polen. De opgeëiste persoon heeft in Nederland gewoond en gewerkt, maar niet uitgelegd dat hij hier bijvoorbeeld een gezin, familie, vrienden of andere (taalkundige, sociale, culturele of familiale) banden heeft naast zijn werk.
Het gelijksstellingsverweer wordt verworpen.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the District Court in Rzeszów, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie bijv. Rb Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560 en Rb Amsterdam 2 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5005.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)). - - - ## Voetnoten
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie bijv. Rb Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560 en Rb Amsterdam 2 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5005.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).