Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:8665 - Rechtbank Amsterdam - 17 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:866517 november 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6023
(vertegenwoordigd door: R. Bernadina, bestuurder van Ode B.V.),
en
  1. Deze uitspraak gaat over een naheffingsaanslag parkeerbelasting die is opgelegd door verweerder omdat het voertuig met kenteken [kenteken] op 7 maart 2024 om 19:16 uur geparkeerd stond ter hoogte van [adres] in Amsterdam, terwijl daar geen parkeerbelasting voor was betaald. Eiseres is het niet eens met de naheffingsaanslag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de naheffingsaanslag op goede gronden heeft opgelegd.
  1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de naheffingsaanslag niet op goede gronden heeft opgelegd, omdat er onduidelijkheid kon bestaan over de vraag of op deze locatie parkeerbelasting was verschuldigd en door verweerder dus niet aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

  1. Op 14 maart 2024 heeft verweerder de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiseres heeft daartegen bewaar gemaakt. Met een besluit gedagtekend op 19 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de naheffingsaanslag in stand gelaten.
  1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: R. Bernadina en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
  1. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 14 maart 2024. Eiseres heeft op 17 mei 2024 per e-mail het bestreden besluit van verweerder ontvangen, waarin haar bezwaar ongegrond wordt verklaard. Op dit bestreden besluit staat de dagtekening van 19 maart 2024. Eiseres heeft op 12 september 2024 beroep in gesteld. De rechtbank constateert dat dit buiten de beroepstermijn is. Volgens eiseres heeft zij het bestreden besluit niet per post ontvangen, maar volgens verweerder is het wel op 19 maart 2024 per post verzonden. Verweerder heeft echter geen verzendadministratie overgelegd waaruit blijkt of dit het geval is en uit het dossier blijkt dat eiseres diverse keren contact heeft gezocht met verweerder om navraag te doen naar haar bezwaar.
  1. Eiseres stelt dat zij op 31 mei 2024 op advies van de gemeente een 'tweede bezwaarschrift' aan verweerder heeft gestuurd. Verweerder heef dit stuk niet als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.[1] Tijdens de zitting heeft verweerder aangegeven niet op de hoogte te zijn van dit stuk van 31 mei 2024.
  1. Vanwege de onduidelijkheden over de verzending van het bestreden besluit en de ontvangst dan wel doorzending van het stuk van eiseres van 31 mei 2024, heeft de rechtbank met instemming van verweerder tijdens de zitting besloten het beroep van eiseres inhoudelijk te behandelen.
Was er parkeerbelasting verschuldigd?
  1. Eiseres heeft op 7 maart 2024 haar auto geparkeerd op een strook met parkeerplaatsen langs de weg. Eiseres heeft een foto ingebracht van een blauw bord waarop staat 'Per 8 april 2024 betaald parkeren'. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samen met partijen vastgesteld dat eiseres dit bord aan de rechterkant van de weg heeft zien staan en vervolgens haar auto aan de linkerkant van de weg heeft geparkeerd.
  1. Volgens verweerder ziet dit bord pas op de zone die daarna volgt en niet op de zone waarin eiseres haar auto heeft geparkeerd. Dit had eiseres volgens verweerder ook kunnen weten als zij op de website van de gemeente had gekeken. Bovendien is eiseres volgens verweerder eerder al borden gepasseerd waaruit de betaalverplichting blijkt. Ook staan er diverse parkeermeters. Op basis van haar onderzoeksplicht had eiseres volgens verweerder dus moeten weten dat zij parkeerbelasting moest betalen.
  1. De rechtbank overweegt dat het enerzijds aan verweerder is om op zodanige wijze duidelijk te maken dat er parkeerbelasting verschuldigd is, dat daarover redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan (de informatieplicht / het kenbaarheidsvereiste).[2] Volgens vaste rechtspraak kan dit blijken uit bebording, maar ook uit aanwezigheid van parkeerapparatuur in de directe omgeving van de parkeerplaats. Anderzijds mag van een parkeerder worden verwacht dat deze bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of er parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat de parkeerder oplet of er bebording 'betaald parkeren' staat, of hij of zij een parkeerautomaat passeert en zich, nadat deze heeft geparkeerd, inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is (de onderzoeksplicht).
  1. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat er redelijkerwijs een misverstand kon bestaan over de vraag of parkeerbelasting verschuldigd was, nu er op enkele meters afstand van de locatie waar eiseres haar auto heeft geparkeerd een bord stond waarop uitdrukkelijk vermeld staat 'Per 8 april 2024 betaald parkeren'. Als dit bord bedoeld is voor de zone die daarna volgt, had het in de rede gelegen dat verweerder dit bord ook pas in die volgende zone, en aan de overkant van het kruisende fietspad, had geplaatst. Het is belangrijk dat verweerder de verplichting om parkeerbelasting te betalen ter plaatse voldoende duidelijk maakt. Die verplichting moet ook voldoende duidelijk zijn voor mensen die (ter plaatse) geen toegang tot internet hebben. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan het kenbaarheidsvereiste voldaan.
  1. Dat eiseres eerder borden is gepasseerd waaruit een betaalverplichting blijkt, doet daaraan niet af. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat eiseres er op basis van het bord zo dicht bij haar parkeerlocatie vanuit is gegaan dat zij op 7 april 2024 geen parkeerbelasting verschuldigd was op de locatie waar zij haar auto heeft gepasseerd. Dat er in de buurt parkeerautomaten waren is boven ook goed voorstelbaar, als er een paar weken later betaald parkeren ingevoerd wordt. Dit doet niets af aan het ter plaatse aanwezige bord en wat eiseres daaruit mocht afleiden. Het beroep van eiseres slaagt dus.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft ten onrechte de naheffingsaanslag aan eiseres opgelegd. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt en de naheffingsaanslag niet hoeft te betalen of, als zij al heeft betaald, het betaalde bedrag terugkrijgt van verweerder. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
  1. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing[3] en vernietigt de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
  1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit met dagtekening 19 maart 2024; - vernietigt de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van 14 maart 2024; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371, - aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken op 17 november 2025.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Den Haag 18 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:506.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. - - - ## Voetnoten
In de zin van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Den Haag 18 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:506.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.