Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:8615 - Rechtbank Amsterdam - 28 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:861528 oktober 2025

Uitspraak inhoud

Parketnummer: 13-224803-25
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juni 2019 door the Regional Court in Elbląg II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon - of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna 'de opgeëiste persoon'.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en heeft op 14 oktober 2025 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam, welke aangaf gemachtigd te zijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Braniewo van 11 september 2018 (ref. II K 359/18).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.[3]
3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
The Regional Court in Elbląg, 2nd Criminal Departmentheeft op 12 september 2025 de
volgende aanvullende informatie verstrekt:
"The Regional Court in Elbląg, 2nd Criminal Department, informs you that [de opgeëiste persoon] , in the course of the pre-trial proceedings, stated his address of residence, i.e. [plaats] , [straat] , in the minutes of the interrogation held on 12.06.2018. He was also correctly instructed about the obligation to provide a new address in the event of a change of his address of residence or stay, he was also instructed about the consequences of not indicating such an address in accordance with the wording of Article 139 of the Code of Criminal Procedure. He acknowledged the receipt of the instructions with his handwritten signature. In the course of the proceedings before the court, [de opgeëiste persoon] did not indicate any new address. All correspondence for the prosecuted person was addressed to the above-mentioned address and was deemed to have been duly served."
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De vraag is vervolgens of er reden is om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Daarbij is het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 12 september 2025 volgt dat de opgeëiste persoon gedurende het vooronderzoek een adresinstructie heeft ontvangen en deze heeft ondertekend. Hij was aldus op de hoogte van het feit dat post van de justitiële autoriteiten naar het door hem opgegeven adres zou worden gezonden en van de op hem rustende verplichting om - indien aan de orde - , een adreswijziging door te geven. Ook volgt uit de informatie dat de opgeëiste persoon geen nieuw adres heeft opgegeven bij de Poolse autoriteiten, alsmede dat de poststukken daarom aan het door hem opgegeven adres zijn gezonden. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat, voor zover de opgeëiste persoon al niet impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, hij minstens met betrekking tot de uitoefening van zijn verdedigingsrechten kennelijk onzorgvuldig is geweest, door geen nieuw adres door te geven toen hij niet langer op het door hem opgegeven adres bereikbaar was. De rechtbank ziet daarin dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een lijstfeit, daarom geldt het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5 Artikel 11 OLW: Poolse rechtsstaat

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[4]
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[5]

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Elbląg II Criminal Department voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)). - - - ## Voetnoten
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).