Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:8440 - Rechtbank Amsterdam - 6 november 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:8440•6 november 2025
Uitspraak inhoud
Parketnummer: 13/234817-25
Datum uitspraak: 6 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 9 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juli 2025 door de Sąd Okręgowy w Zamościu II Wydział Karny (District Court of Zamość, second Penal Division), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] (Polen),
opgegeven verblijfsadres:
[verblijfsadres] ,
nu gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] ,
hierna 'de opgeëiste persoon'.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een sentence of the Regional Court of Zamość of 27 July 2021, which became legally valid on 26 November 2021, Reference No. II K 1230/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.[3]
3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon ten tijde van het proces in hoger beroep vastzat en dat er geen transport voor hem was geregeld. Daarom kon hij niet aanwezig zijn bij de zitting in hoger beroep, terwijl hij dit wel wilde, en daar ook om heeft verzocht. De overlevering moet daarom worden geweigerd. Subsidiair dient er aanvullende informatie te worden opgevraagd of er een afstandsverklaring was en dient er om een verzetgarantie te worden verzocht.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zitting in hoger beroep. Het is de officier ambtshalve bekend dat gedetineerden in Polen zelf om transport moeten vragen. Dat heeft de opgeëiste persoon niet gedaan. Omdat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen, is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW.
De rechtbank overweegt als volgt.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.[4] Uit de aanvullende informatie van 26 september 2025 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden waarbij de zaak ten gronde is behandeld en waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 12, sub a, OLW van toepassing. Dit betekent dat de rechtbank de overlevering niet kan weigeren op grond van artikel 12 OLW. In de aanvullende informatie uit Polen staat dat de opgeëiste persoon op 27 oktober 2021 in persoon is opgeroepen voor het proces in hoger beroep waarbij hij is geïnformeerd over de zittingsplaats en - tijd en dat er een beslissing in zijn afwezigheid kan worden genomen. De opgeëiste persoon heeft erkend de oproep in persoon te hebben ontvangen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
De rechtbank merkt overigens op dat de enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon in het begin van het proces heeft aangegeven bij alle zittingen aanwezig te willen zijn en niet wist dat hij ten aanzien van de procedure in hoger beroep zelf (opnieuw) om transport had moeten vragen om de behandeling in hoger beroep te kunnen bijwonen is onvoldoende om aan te nemen dat zijn verdedigingsrechten zijn geschonden en is voor de rechtbank geen aanleiding om nadere informatie te vragen.[5] De vraag of de opgeëiste persoon nog een verzetmogelijkheid heeft valt daarmee buiten het toetsingskader van de rechtbank en kan geen aanleiding zijn om nadere informatie te vragen aan de uitvaardigende autoriteit.
4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.[7]
6 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Zamościu II Wydział Karny (District Court of Zamość, second Penal Division) (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. dr. V.H. Glerum, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 november 2025.
De voorzitter en griffier zijn buiten staat de uitspraak te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Zie Rb. Amsterdam d.d. 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7670.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)). - - - ## Voetnoten