Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:8314 - Rechtbank Amsterdam - 15 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:831415 oktober 2025

Uitspraak inhoud

RK nummer: 25-025844
BESCHIKKING
in raadkamer op het bezwaarschrift ex artikel 61 van de Overleveringswet (OLW) jo. artikel 62a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
thans gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna te noemen "klager",
tegen het bevel van de officier van justitie te Amsterdam van 1 oktober 2025, tot het opleggen van beperkingen als bedoeld in artikel 62 Sv.

1 Procesgang

Het bezwaarschrift, gedateerd op 10 oktober 2025, is op 10 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft op 15 oktober 2025 klager, mr. R. Dijkstra, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie, mr. A. Keulers, in besloten raadkamer gehoord.

2 Feiten

Op 29 juli 2025 hebben de Duitse justitiële autoriteiten een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) tegen klager uitgevaardigd. Zijn overlevering wordt gevraagd om hem in Duitsland te vervolgen op grond van de verdenking van betrokkenheid bij strafbare feiten.
Klager is op 1 oktober 2025 op grond van de OLW aangehouden. Klager verblijft sindsdien in overleveringsdetentie uit hoofde van de OLW.
De officier van justitie heeft bij bevel van 1 oktober 2025 bevolen dat in het belang van het onderzoek beperkende maatregelen worden getroffen. Die maatregelen luiden als volgt:
deze beperking geldt niet ten aanzien van telefonisch verkeer met de raadsman, justitiële autoriteiten en commissie van toezicht;
  1. de opgeëiste persoon mag geen brieven verzenden of ontvangen zonder uitdrukkelijke toestemming van en na controle door of vanwege de officier van justitie; deze beperking geldt niet ten aanzien van correspondentie met de raadsman, en justitiële autoriteiten en commissie van toezicht;
  1. de opgeëiste persoon mag geen enkel contact hebben - mondeling noch schriftelijk noch telefonisch, middellijk noch onmiddellijk - met medegedetineerde(n);
  1. het is de opgeëiste persoon niet toegestaan gebruik te maken van een computer of mobiele telefoon;
Op 2 oktober 2025 heeft de officier van justitie haar vordering ex artikel 23 van de OLW ingediend bij deze rechtbank.

3 Inhoud van het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift, dat ter zitting nader is toegelicht, strekt tot opheffing van de beperkingen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de beperkingen niet subsidiair zijn, nu ter voorkoming van enige inmenging in het onderzoek enkel verblijf op een politiebureau of een huis van bewaring voldoende is. Om collusiegevaar te ondervangen kan een tap geplaatst worden of slechts een contactverbod met de medeverdachten opgelegd worden. Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat bij een juiste afweging van het belang van het onderzoek in deze strafzaak en het belang van klager, er geen redenen bestaan hem nog langer beperkende maatregelen op te leggen. Het belang om de beperkende maatregelen voort te laten duren is te beperkt, terwijl deze als zeer ingrijpend en belastend door klager worden ervaren. De maatregelen zijn dan ook niet proportioneel.

4 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen dienen voort te duren. Duitsland heeft aangegeven dat het voortduren van de beperkingen noodzakelijk is. De officier van justitie heeft gesteld dat het bezwaarschrift onvoldoende onderbouwd is, mede gelet op de ernst van de feiten. De officier van justitie heeft ook meegewogen dat de inhoudelijke behandeling het overleveringsverzoek op dezelfde dag plaatsvindt als de behandeling van het bezwaarschrift. Klager zou mogelijk al snel naar Duitsland worden overgeleverd. De officier van justitie heeft verzocht het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.

5 Beoordeling door de rechtbank

Wettelijke grondslag
De officier van justitie moet bevoegd worden geacht tot het opleggen van beperkingen.
Artikel 61 van de OLW bepaalt namelijk dat de klager die op basis van deze wet van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt behandeld als een verdachte die krachtens Sv aan een overeenkomstige maatregel is onderworpen. Aangenomen dient te worden dat, ook al wordt artikel 62 Sv niet genoemd bij de bepalingen die in artikel 30 van de OLW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, hiermee artikel 62 Sv van overeenkomstige toepassing is in geval van overleveringsdetentie.
De officier van justitie moet dan ook in beginsel bevoegd worden geacht tot het treffen van de in artikel 62 Sv bedoelde maatregelen, waaronder het nemen van vingerafdrukken en foto's, maar ook het opleggen van beperkingen, krachtens een rechtshulpverzoek van de betreffende buitenlandse autoriteit, die om overlevering van klager heeft gevraagd.
De uitvoering van buitenlandse rechtshulpverzoeken is geregeld in de eerste en derde afdeling van Boek 5, Titel 1, Sv.
Artikel 5.1.1, tweede lid, Sv luidt:
Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken van daartoe bevoegde autoriteiten van een staat aan de bevoegde autoriteiten van een andere staat tot het al dan niet gezamenlijk verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, verzoeken ter bepaling van de aanwezigheid van wederrechtelijk verkregen voordeel, het toezenden van documenten, dossiers of stukken, of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden.
Artikel 5.1.4, tweede en derde lid, Sv luiden:
Het verlenen van medewerking aan handelingen van onderzoek als bedoeld in artikel 5.1.1., tweede lid, Sv moet ruim worden opgevat en daaronder kan ook worden begrepen het opleggen van beperkingen in het belang van strafrechtelijk onderzoek van het land dat het rechtshulpverzoek heeft ingediend. Dat als gevolg van deze medewerking de persoonlijke levenssfeer van een opgeëiste persoon (nader) kan worden beperkt, maakt dat niet anders.
Uit artikel 5.1.4, derde lid, Sv, volgt, onder meer, dat indien het rechtshulpverzoek niet op een verdrag is gegrond, aan dit verzoek wordt voldaan, mits het een redelijk verzoek betreft en inwilliging ervan niet in strijd is met een wettelijk voorschrift. Genoemd artikel 62 Sv biedt een wettelijke basis voor het opleggen van beperkingen aan klager.
Het opleggen van beperkingen in het belang van buitenlands strafrechtelijk onderzoek vindt dan ook zijn wettelijke grondslag in de artikelen 5.1.1 en 5.1.4 Sv juncto artikel 62 Sv.
Het rechtshulpverzoek
Het Amtsgericht Heilbronn heeft in het besluit van 17 juli 2025 houdende bevelen in het kader
van de voorlopige hechtenis de noodzaak tot het opleggen van beperkingen als volgt toegelicht:
"De opgelegde beperkingen zijn noodzakelijk en redelijk vanwege het bestaan van de gronden voor hechtenis. De beperkingen zijn in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.
Er bestaat met name het gevaar dat de verdachte zal trachten te vluchten, aangezien er een hoge strafverwachting bestaat. Hij is vanuit de plaats van het misdrijf naar zijn thuisland gevlucht.
Het gevaar bestaat dat de verdachte daden van verhulling zal verrichten, aangezien er een hoge strafverwachting alsmede samenzwering van de kant van de verdachte bestaat en te verwachten is, met name met betrekking tot mogelijke opdrachtgevers, en aangezien hij tegelijkertijd met de medeverdachte wordt vastgehouden.
De afweer tegen deze risico's maakt het noodzakelijk om de bevolen beperkingen in acht te nemen."
De rechtbank beschouwt deze toelichting als rechtshulpverzoek in de zin van artikel 5.1.1,
tweede lid, Sv.
De beoordeling van het bezwaarschrift
Voor de beantwoording van de vraag of in een concrete zaak beperkingen mogen worden opgelegd ten behoeve van een buitenlands strafrechtelijk onderzoek, dient naar het oordeel van de rechtbank gelet op hetgeen in artikel 62, eerste lid, Sv is bepaald te worden bezien of die beperkingen in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk zijn.
Tegen de achtergrond van de in Duitsland tegen klager bestaande verdenking, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de beperkingen, of een deel daarvan, niet volstrekt noodzakelijk zouden zijn in het kader van het Duitse onderzoek.
Het Amtsgericht Heilbronn heeft het belang van de beperkingen – onder andere het voorkomen van (al dan niet indirect) contact met opdrachtgevers – in het voornoemde besluit
van 17 juli 2025 voldoende onderbouwd. Daarnaast weegt de rechtbank in haar oordeel mee dat de behandeling van het overleveringsverzoek eveneens op 15 oktober 2025 heeft plaatsgevonden en de uitspraak in het overleveringsverzoek over twee weken zal plaatsvinden, waardoor op dit moment niet de verwachting bestaat dat de beperkingen onevenredig lang zullen voortduren.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond verklaren.
De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie, zolang de overleveringsdetentie voortduurt, in haar contact met Duitsland de vinger aan de pols blijft houden met betrekking tot de vraag of, bijvoorbeeld vanwege de ontwikkelingen in het Duitse onderzoek, de beperkingen gehandhaafd dienen te worden.

6 Beslissing

De rechtbank:
VERKLAARThet bezwaar tegen het bestreden bevel van de officier van justitie ONGEGROND.
Deze beschikking is gegeven op 15 oktober 2025 in raadkamer van deze rechtbank door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.