Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:8308 - Rechtbank Amsterdam - 29 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:8308•29 oktober 2025
Uitspraak inhoud
RK nummer: 25-024827
Datum beschikking: 29 oktober 2025
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvorderingvan:
[klager] , voorkeursnaam: [klager] ,
geboren te [geboorteplaats] (Uganda) op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
klager.
1 Procesgang
Het klaagschrift is op 23 september 2025 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 15 oktober 2025 het klaagschrift behandeld en klaagster, haar raadsvrouw, mr. D.M. Moes, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. A. Keulers, in openbare raadkamer gehoord.
2 Feiten en omstandigheden
De Belgische autoriteiten hebben door middel van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van 6 maart 2025 onder andere verzocht om het opvragen van banktransacties van drie bankrekeningen en het verder identificeren van de titularissen van deze bankrekeningen en hen actief opsporen en desnodig het uitvoeren van huiszoekingen met het oog op inbeslagname van informaticasystemen en alle nuttige elementen met betrekking tot de feiten, in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen klaagster ter zake van de verdenking dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EOB.
Op 18 september 2025 is, ter uitvoering van het EOB, de woning van klaagster binnengetreden ter doorzoeking en inbeslagname van digitale gegevensdragers, op grond van artikel 2 en 3 van de Algemene wet op het binnentreden en art 110 Strafvordering jo artikel 96 Wetboek van Strafvordering. De volgende voorwerpen zijn in beslag genomen onder klager:
3 Inhoud klaagschrift en standpunt klaagster
Het klaagschrift strekt tot (ten minste tijdelijke) teruggave van de MacBook en iPhone 16 plus, op de volgende gronden: dringende financiële nood, medische nood en behandeling, studie en scriptie, beroepsmatige nood en continuïteit van zorg (EVVer), privacy en vertrouwelijkheid van patiëntgegevens - alle relevante bewijsstukken bevinden zich op de in beslag genomen apparaten - en de gronden van proportionaliteit en subsidiariteit.
In aanvulling daarop heeft de raadsvrouw in raadkamer nog aangevoerd dat klaagster om verschillende redenen toegang tot de laptop en iPhone 16 plus nodig heeft en dat de laptop niet gebruikt is in verband met het strafbare feit waarvan klager wordt verdacht. Klaagster heeft geen contact gehad met de persoon in kwestie via haar laptop. Er is dan ook geen belang voor het onderzoek bij het behoud van de laptop. Bovendien kunnen er kopieën gemaakt worden van de gegevens.
4 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet aan de rechtbank is om de proportionaliteit te toetsen. België heeft aangegeven dat de goederen nodig zijn voor het onderzoek. De officier van justitie heeft gemotiveerd dat er geen gronden voor weigering van de erkenning van het EOB zijn en heeft verzocht het klaagschrift ongegrond te verklaren.
De officier van justitie heeft tijdens een schorsing van de raadkamer gebeld met de Belgische autoriteiten en toestemming gekregen om klaagster, onder toezicht van de politie, toegang te geven tot haar laptop om haar scriptie van haar laptop te halen en mogelijk klaagster ook toegang tot haar bankzaken te geven. De officier van justitie zal contact opnemen met de raadsvrouw van klaagster om hiervoor een afspraak te plannen.
5 Het oordeel van de rechtbank
Toetsingskader
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021[1] heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken ex artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.
Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen getoetst.
Daarentegen moet wel worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB rechtmatig is toegepast, welke beoordeling overigens is beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat aan de rechtbank ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Voor zover de ter uitvoering van het EOB inbeslaggenomen voorwerpen gegevensdragers betreffen, is nog van belang dat deze gegevensdragers worden overgedragen aan de uitvaardigende autoriteit. Dat is slechts anders als uit de inhoud van het EOB blijkt of door de uitvaardigende autoriteit is aangegeven dat de overdracht van een kopie volstaat. Daarnaast is het niet aan de rechter die over het klaagschrift oordeelt, om te bepalen dat kopieën van de op inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevens aan klager ter beschikking worden gesteld.
Oordeel van de rechtbank
In het licht van het hiervoor geschetste toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.
Gelet op het EOB en de daarin omschreven verdenking is de rechtbank van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
In bovengenoemd arrest van de Hoge Raad wordt beschreven dat het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. In onderhavige zaak toont het feit dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd ten aanzien van de genoemde goederen dat zij strafvorderlijk belang zien bij het beslag van de genoemde goederen.
De goederen zijn in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Belgische strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, deze goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Belgische autoriteiten. Het standpunt van klaagster, en hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd in de openbare raadkamer maakt dit niet anders.
Het voorliggende EOB voldoet aan de in artikel 5.4.3 Sv gestelde eisen, er doen zich geen van de in artikel 5.4.4 Sv genoemde weigeringsgronden voor en er is geen sprake van één van de in artikel 5.4.6 genoemde situaties.
Gelet hierop zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.
6 Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND.
Deze beslissing is op 29 oktober 2025 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier.
ECLI:NL:HR:2021:1940 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2021:1940). - - - ## Voetnoten