Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:8214 - Rechtbank Amsterdam - 30 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:821430 oktober 2025

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10656913 \ CV EXPL 23-11176
Vonnis van 30 oktober 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap
N.V. UNIVÉ ZORG, BETREFFENDE ZEKUR,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] , voorheen [plaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1. Op 6 maart 2025 is een tussenvonnis gewezen. Eisende partij heeft op 1 mei 2025 een akte met producties ingediend.
1.2. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1. Eisende partij vordert premie in de periode juni 2018 tot en met april 2023, kosten acceptgiro in 2018, polismutaties en declaraties voor verleende zorg in 2019 en 2020, in totaal ten bedrage van € 4.016,43, minus het reeds betaalde bedrag van € 2.254,87, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten.
2.2. Bij tussenvonnis is overwogen dat eisende partij had moeten toelichten wanneer en op welke wijze de verzekeringsovereenkomst en de verzekeringsvoorwaarden aan gedaagde partij zijn toegezonden, of dit is gebeurd op een duurzame drager en hoe de consument in de gelegenheid is gesteld de overeenkomst te ontbinden ex artikel 6:230x lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zie ro. 5. In haar akte stelt eisende partij dat de overeenkomst op schrift is gesteld en dat gedaagde partij vanaf 29 maart 2018 een verzekering heeft bij eisende partij. De in rekening gebrachte kosten betreffen volgens eisende partij premies en eigen risico. Bij haar akte heeft eisende partij onder meer een polisblad 2018 overgelegd, waarop is vermeld dat de datum afgifte polis 22 april 2018 is, een polisblad 2019, waarop is vermeld dat de datum afgifte polis 13 november 2018 is en een polisblad 2020, waarop is vermeld dat de datum afgifte polis 13 november 2019 is. Eisende partij heeft geen polisbladen over 2021 en 2022 overgelegd. Over 2023 heeft eisende partij een polisblad van 24 juni 2023 overgelegd omdat de polis is gewijzigd. Op basis van de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat gedaagde partij over 2021, 2022 en tot 24 juni 2023 premie of eigen risico is verschuldigd. De over die jaren gevorderde bedragen komen dan ook ongegrond voor.
2.3. Eisende partij heeft verder aan de hand van haar bestelproces van 2024 toegelicht dat voldaan is aan de verplichtingen van artikel 6:230m en 6:230v BW. Dit bestelproces met daarin vermeld het jaar 2024 kan zonder nadere toelichting die ontbreekt echter niet als voorbeeld dienen voor het bestelproces dat gedaagde partij bij het sluiten van haar overeenkomst in 2018 heeft doorlopen. De gegeven toelichting is verder zinloos, nu de artikelen 6:230m en 6:230v BW op een overeenkomst op afstand betreffende financiële producten niet van toepassing zijn. Eisende partij heeft niet toegelicht dat en hoe is voldaan aan artikel 6:230x BW. Uit de polis van 2018 is af te leiden dat deze pas na een maand na ingangsdatum aan gedaagde partij is toegezonden. Ook heeft eisende partij niet in de akte toegelicht hoe de polissen en voorwaarden aan gedaagde partij zijn verstrekt. Uit de overgelegde polissen lijken deze per post verstrekt te zijn en volgt dat voor de voorwaarden verwezen wordt naar de website van eisende partij. Daaruit kan niet worden geconcludeerd dat de voorwaarden met de polis aan eisende partij zijn verstrekt.
2.4. Bij tussenvonnis is eisende partij verder in de gelegenheid gesteld om nader toe te lichten op basis waarvan de gevorderde bedragen door eisende partij in rekening mochten worden gebracht en of de bedragen die in rekening zijn gebracht door de zorgverlener van te voren kenbaar zijn gemaakt aan gedaagde partij (zie ro. 7). Eisende partij heeft niet nader toegelicht waar de in rekening gebrachte polismutaties van 2019 en 2020 van in totaal € 785,55 op zien, zodat deze ongegrond voorkomen.
2.5. Verder stelt eisende partij in de akte dat gedaagde partij tussentijds € 2.397,46 heeft afgelost. In de dagvaarding is echter vermeld dat € 2.254,87 was voldaan. Eisende partij had dan ook haar eis moeten verminderen met het kennelijk na dagvaarding nog betaalde deel. Dat heeft zij niet gedaan.
2.6. Tot slot heeft eisende partij ingebrekestellingen als productie 10 overgelegd, maar deze zien allemaal op een ziektenkostenverzekering over 2017 gesloten met VGZ.
2.7. Op grond van het bovenstaande punten is de vordering na akte nog steeds onvoldoende toegelicht, zodat deze ongegrond voorkomt en daarom wordt afgewezen.
2.8. Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. wijst de vordering af;
3.2. veroordeelt eisende partij in de kosten van gedaagde partij, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.
811