Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:8211 - Rechtbank Amsterdam - 16 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:8211•16 september 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2590
(gemachtigde: mr. R.A. van Heijningen),
en
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2010. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag.
Procesverloop
- Eiseres heeft op 29 april 2021 een verzoek ingediend voor herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
- Eiseres is in 2009 via haar tante benaderd door een derde, de heer [persoon] (hierna: [persoon] ) die haar heeft overgehaald om haar DiGiD aan hem af te staan, zodat hij daarmee vervolgens een subsidie voor haar kon aanvragen die speciaal was bedoeld voor ouders met kinderen jonger dan twaalf jaar. Eiseres is hierop ingegaan en heeft formulieren voor het aanvragen van kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2010 ingevuld. Daarop heeft zij het rekeningnummer van [persoon] ingevuld. Eiseres heeft vervolgens bedragen van
€ 1.000 en € 250 van [persoon] ontvangen. Over het jaar 2009 is € 15.175 uitbetaald aan [persoon] en over 2010 € 12.646. Op enig moment heeft eiseres [persoon] verzocht om de toeslag weer stop te zetten. Toen zij erachter kwam dat hij dit niet had gedaan, heeft ze verweerder zelf verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag. Samen met haar tante heeft eiseres vervolgens aangifte gedaan tegen [persoon] .
- Verweerder heeft de volledige ten onrechte betaalde kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2010 van eiseres teruggevorderd. Haar beroepen tegen deze besluiten zijn ongegrond verklaard.
- Op 29 april 2021 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag om herbeoordeling ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat in het geval van eiseres de kwalificatie "opzet/grove schuld" niet onterecht is geweest. Voor eiseres moet het duidelijk zijn geweest dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag. Ook wist ze dat het geld niet op haar rekening terecht zou komen.
- Met het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarin overwogen dat hij niet vooringenomen heeft gehandeld. Eiseres heeft geen kinderopvang afgenomen in 2009 en 2010. Bovendien is ze pas actie gaan ondernemen toen duidelijk werd dat ze geen contante betalingen meer te verwachten had van [persoon] .
- Eiseres heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat zij het slachtoffer is geworden van een criminele organisatie. Zij was in die jaren nog jong en naïef en wist niet dat het om kinderopvangtoeslag ging. Eiseres vindt het niet eerlijk dat zij alle kinderopvangtoeslag heeft moeten terugbetalen, terwijl van [persoon] niets is teruggevorderd. Bovendien heeft ze niet veel geld eraan overgehouden. Verder is eiseres van mening dat het systeem van de kinderopvangtoeslag bijzonder fraudegevoelig is, hetgeen een rol zou moeten spelen bij de beoordeling van haar beroep op de hardheidsclausule.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank is van oordeel dat het voor eiseres duidelijk had moeten zijn dat de subsidie die ze zou ontvangen in feite kinderopvangtoeslag was. Zij had dat kunnen weten omdat ze zelf aanvraagformulieren heeft ingevuld en vervolgens enveloppen van de Dienst Toeslagen heeft ontvangen. Dat eiseres die niet open heeft gemaakt, komt voor haar rekening en risico. Dat risico kan niet bij verweerder worden gelegd. De rechtbank vindt het dan ook hoogst onaannemelijk dat eiseres in het geheel niet wist wat er hier speelde. Daarbij geeft de tante in haar proces-verbaal van aangifte aan dat zij wist dat het om kinderopvangtoeslag ging. Het is onwaarschijnlijk dat de tante dit wel wist en eiseres niet, terwijl zij samen de aanvraag hebben gedaan. Het staat verder vast dat de kinderen van eiseres in de periode 2009/2010 geen gebruik hebben gemaakt van kinderopvang en dat eiseres daarom ook geen recht had op kinderopvang. De rechtbank is het dan ook met verweerder eens dat verweerder niet vooringenomen heeft gehandeld in het geval van eiseres. Voor toekenning van compensatie bestond daarom geen reden.
- Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wet Herstelbetalingen Toeslagen (WHT). In dat artikel is bepaald dat kan worden afgeweken van het bepaalde in onder meer artikel 2.1, eerste lid, onder a
[1] , voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning. Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende.
- Eiseres stelt dat de onbillijkheid is gelegen in het feit dat het systeem van de kinderopvangtoeslag fraude gemakkelijk in de hand kan werken. De rechtbank volgt deze stelling niet. Eiseres had kunnen en moeten begrijpen dat [persoon] kwaad in de zin had toen hij haar zijn voorstel deed. Bovendien was het haar duidelijk dat ze niet in aanmerking kon komen voor kinderopvangtoeslag, omdat haar kinderen niet naar de opvang waren geweest. Door op dit voorstel wel in te gaan heeft eiseres zich laten leiden door het vooruitzicht hiermee geld te verkrijgen waar ze geen recht op had. Deze omstandigheden duiden niet op een onbillijkheid van overwegende aard die door het systeem is veroorzaakt.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
M. van Velzen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit artikel regelt de compensatie voor een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden als gevolg van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. - - - ## Voetnoten