Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:8063 - Rechtbank Amsterdam - 28 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:806328 oktober 2025

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10687631 \ CV EXPL 23-12130
Vonnis van 28 oktober 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap
N.V. UNIVÉ ZORG,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1. Op 4 maart 2025 is een tussenvonnis gewezen. Eisende partij heeft op 29 april 2025 een akte met producties ingediend.
1.2. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1. Eisende partij vordert declaraties over 2022 en 2023 en premie bedragen over de maand maart 2023, in totaal ten bedrage van €1.284,04, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en rente.
2.2. Bij tussenvonnis is overwogen dat eisende partij had moeten toelichten wanneer en op welke wijze de verzekeringsovereenkomst en de verzekeringsvoorwaarden aan gedaagde partij zijn toegezonden, of dit is gebeurd op een duurzame drager en hoe de consument in de gelegenheid is gesteld de overeenkomst te ontbinden ex artikel 6:230x lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zie ro. 5. In haar akte stelt eisende partij dat de overeenkomst op schrift is gesteld en dat gedaagde partij vanaf 19 september 2017 een verzekering heeft bij eisende partij. Bij haar akte heeft eisende partij een polisblad 2022 overgelegd, waarop is vermeld dat de datum afgifte polis 13 november 2021 is en een polisblad 2023 waarop is vermeld dat de datum afgifte polis 13 november 2022 is.
Bij tussenvonnis is eisende partij verder in de gelegenheid gesteld om nader toe te lichten op basis waarvan de gevorderde bedragen door eisende partij in rekening mochten worden gebracht en of de bedragen die in rekening zijn gebracht door de zorgverlener van te voren kenbaar zijn gemaakt aan gedaagde partij (zie ro. 7). In haar akte heeft eisende partij toegelicht dat de gevorderde hoofdsom onbetaald gelaten zorgkostenfacturen en premies betreft en verwezen naar de bij dagvaarding overgelegde specificatie. Uit de overgelegde specificatie blijkt echter dat de gevorderde hoofdsom naast premie ook ziet op terhandstellingskosten geneesmiddelen, behandelingen, ambulance vervoer en andere zorgkosten. De aan eisende partij gevraagde nadere toelichting ontbreekt.
2.3. Eisende partij heeft verder aan de hand van haar bestelproces van 2024 toegelicht dat voldaan is aan de verplichtingen van artikel 6:230m en 6:230v BW. Dit bestelproces met daarin vermeld het jaar 2025 kan zonder nadere toelichting die ontbreekt niet als voorbeeld dienen voor het bestelproces dat gedaagde partij bij het sluiten van haar overeenkomst in 2017 heeft doorlopen. De gegeven toelichting is verder zinloos, nu de artikelen 6:230m en 6:230v BW op een overeenkomst op afstand betreffende financiële producten niet van toepassing zijn. Eisende partij heeft niet toegelicht dat en hoe is voldaan aan artikel 6:230x BW. Ook heeft eisende partij niet in de akte toegelicht hoe de polissen en voorwaarden aan gedaagde partij zijn verstrekt. Uit de overgelegde polissen lijken deze per post verstrekt te zijn en volgt dat voor de voorwaarden verwezen wordt naar de website van eisende partij. Daaruit kan echter niet worden geconcludeerd dat de voorwaarden met de polis aan eisende partij zijn verstrekt.
2.4. Nu de gevraagde toelichting niet (volledig) is gegeven, komt de vordering ongegrond voor nu uit de overgelegde polisbladen niet blijkt dat de voorwaarden zijn verstrekt en evenmin dat gedaagde partij in de gelegenheid is gesteld de overeenkomsten ingevolge artikel 6:230x BW te ontbinden. Tot slot blijkt uit de akte dat voor deze vordering een betalingsregeling is getroffen onder verband van vonnis en inmiddels € 21,28 door gedaagde partij in mindering is betaald, maar is de eis niet met dit bedrag verminderd. De vordering wordt daarom afgewezen.
2.5. Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. wijst de vordering af;
3.2. veroordeelt eisende partij in de kosten van gedaagde partij, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
45