Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:8055 - Rechtbank Amsterdam - 28 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:8055•28 oktober 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**AMSTERDAM**
Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623
Zaaknummer: 11172874 \ CV EXPL 24-7690
in de zaak van
gevestigd te 's Hertogenbosch,
eisende partij,
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
tegen
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Op 2 september 2025 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte ingediend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
- Eiseres is nog éénmaal in de gelegenheid gesteld haar vordering toe te lichten en rekenkundig te onderbouwen.
- Eiseres heeft opnieuw uitdraaien van het CBS ten aanzien van indexering in het geding gebracht. Eiseres heeft nu het juiste basisjaar (2015 = 100) gebruikt. Eiseres blijft bij haar conclusie dat de huurprijsverhogingen binnen de maximale huurverhoging vallen die conform het CPI in rekening gebracht hadden mogen worden.
- De tweede alinea van punt 2 van de akte van eiseres is begrijpelijk. Eiseres heeft daarin gemotiveerd toegelicht dat de huurprijs per 1 juli 2022 volgens de CPI mocht stijgen tot een bedrag van € 137,88 per maand en dat zij de huurprijs slechts heeft verhoogd tot een bedrag van € 127,87.
- De derde alinea van punt 2 van de akte van eiseres is echter wederom onbegrijpelijk. Eiseres gaat hier bij de berekening van de CPI-stijging uit van een kale huurprijs per maand van € 137,88. Dat klopt niet, want de kale huurprijs bedroeg slechts € 127,87 zoals eiseres zelf heeft toegelicht (zie hiervoor onder rov 3.).
- Het lijkt erop dat eiseres heeft doorgerekend met het maximaal toelaatbare CPI-percentage (dat bedroeg per 1 juli 2022 immers € 137,88), in plaats van dat zij voor iedere jaarlijkse huurprijsverhoging los heeft berekend of er een opslag is toegepast bij die verhoging. Dat is niet de bedoeling. Reeds in het tussenvonnis van 20 mei 2025 is dat aangegeven en is eiseres in de gelegenheid gesteld een berekening over te leggen waarbij de aanvangshuurprijs steeds is verhoogd met alleen de per jaar geldende indexatiepercentages, voor zover die in rekening zijn gebracht.
- Nu eiseres tot tweemaal toe onjuiste berekeningen in het geding heeft gebracht, zal de kantonrechter de (na het tussenvonnis nog resterende) vordering tot betaling van huurachterstand van eiseres afwijzen, nu eiseres niet heeft voldaan aan haar stelplicht.
- Bij tussenvonnis van 1 oktober 2024 is de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de parkeerplaats, alsmede een vordering tot betaling van huurachterstand (gebaseerd op de aanvangshuurprijs) toegewezen. Daarmee is eiseres in deze procedure, ondanks de afwijzing van de vordering tot betaling van huurprijsverhoging, grotendeels in het gelijk gesteld. Ten aanzien van de proceskosten wordt het volgende opgemerkt.
- Artikel 18.2 van de huurovereenkomst is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 136,72 aan explootkosten, € 135,00 aan salaris gemachtigde, € 328,00 aan griffierecht en € 67,50 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.